Toezicht op de uitvoering van heiwerk van inwendig geheide stalen buispalen


ALGEMEEN
Deze pagina geeft aan welke aspecten van belang zijn voor controle tijdens de uitvoering van heiwerk van stalen buispalen (inwendig geheid). Voor een uitgebreide beschrijving verwijzen wij naar BRL 1710, Het aanbrengen van stalen buissegmentpalen.


VOLGORDE
De algemende richtlijn is:

Aan deze algemene richtlijn wordt bij heiwerk in beperkte ruimte niet altijd voldaan ten gevolge van ongunstige werkomstandigheden.


BEPALING INHEINIVEAUS
Tussen de sondeerpunten wordt het inheiniveau bepaald rekening houdend met het kalenderbeeld. Hierbij kunnen zowel de kalender als bijvoorbeeld de inheidiepte ten opzichte van de bovenkant van de draagkrachtige laag een maatstaf zijn. Hiervoor worden gewoonlijk de kalenders vanaf ca. 0,5 tot 1 m boven de draagkrachtige laag totaan het indrijfniveau geregistreerd.


CONTROLE VAN BELANGRIJKE GEGEVENS
De volgende gegevens zijn van aanzienlijk belang voor de draagkracht van de palen en dienen dus gecontroleerd te worden, naast de bovengenoemde kalenders en inheiniveaus:


UITVOERING
In het algemeen wordt de massa van het valblok zo groot mogelijk gekozen als praktisch uitvoerbaar is. Beperkingen zijn de beschikbare inwendige diameter van de paal en de beschikbare werkhoogte. De benodigde diameter tussen het blok en de buis wordt gekozen zodat er gering risico is, dat het blok door afwijkingen vastloopt in de buis. Er zijn valblokken bestaand uit staal en/of lood. Behalve door deze beschikbare ruimte wordt de maximale massa van het blok bepaald door de capaciteit van de zwaarste heimachine die ter plaatse kan komen. Een richtlijn voor de minimaal toe te passen massa is:

De kalenders liggen dan meestal in de orde van 25 tot 100 slagen per 0,25 m. De valhoogte is in het algemeen 1 tot 2 meter, soms 3 meter. Grotere valhoogten veroorzaken trekspanningen die veelal te hoog zijn en kunnen daardoor breuk van de paal veroorzaken. De prop in de paal wordt samengesteld uit grind en/of zand en/of cement. De exacte samenstelling wordt per werk bepaald. Veelal wordt de prop tijdens het werk af en toe aangevuld.


KALENDEREN EN HEIPROBLEMEN
In het algemeen bedragen de kalenders 25 tot 100 slagen per 0,25 meter. Indien de kalenders lager zijn dan 25 slagen per 0,25 meter, is de overgang naar de draagkrachtige laag soms moeilijk waarneembaar. Dan dient de valhoogte verlaagd te worden. Bij zeer grote kalenderwaarden, bijvoorbeeld meer dan 150 slagen per 0,25 m, is er een verhoogd risico van paalbreuk. Er zijn verschillende situaties denkbaar, waarbij hoge kalenderwaarden voorkomen:

Indien er afwijkingen van het kalenderbeeld optreden op een afstand van de sondeerpunten, dient eerst gecontroleerd te worden of er wijzigingen zijn in de heiparameters, zoals valhoogte of grootte en samenstelling van de heiprop. Zijn er geen aanwijsbare oorzaken in de heiparameters te vinden, dan is er waarschijnlijk een afwijking in de bodem. Bij lage kalenders zijn mogelijke maatregelen:


REPARATIE
Soms treedt er tijdens het werk een van de volgende problemen op:

De oplossing van het opgetreden probleem is afhankelijk van de waargenomen situatie en wordt per geval besproken met de opdrachtgever (en/of constructeur en/of toezichthouders).


CONTROLE VAN PAALAFWIJKINGEN
1. Afwijking van de richting
Het komt voor, dat tijdens het heien een afwijking van de richting van de paal ontstaat. Dit type afwijking ontstaat doordat er zich een verstorend object in de grond bevindt, zoals stenen of oude funderingsresten. Indien de afwijking tijdens het indrijven van de eerste 1 tot 2 meter ontstaat, is vaak correctie mogelijk tijdens het heien. Indien de afwijking in een later stadium ontstaat, dient bepaald te worden:

Indien er problemen verwacht worden, wordt gestopt met de paal, en kan een nieuwe paal ingedreven worden. In de meeste gevallen kan de paal, ondanks enige scheefstand verder geheid worden. Als de scheefstand minder is dan 20:1 dan is er vrijwel nooit enige consequentie. Als de scheefstand maximaal 10:1 bedraagt moet deze afwijking in de berekeningen betrokken worden, maar is er meestal geen consequentie. Grotere afwijkingen van de richting komen zelden voor.
2. Afwijking van de rechte paalas
Nadat de paal ingedreven is, wordt met behulp van een lamp gecontroleerd of de paal voldoende recht in de grond staat. Indien de bovenkant van de hei- prop zichtbaar is, is de rechtheid van de paal voldoende. Indien een lamp niet tot helemaal beneden zichtbaar is, wordt nader overwogen of de kromming van de paal acceptabel is. Hierbij is het uitgangspunt, dat gekeken wordt naar de lamp in de meest gunstige richting, waarbij zichtbaarheid van een klein deel van de lamp reeds voldoende is. De afstand tot waar de lamp zichtbaar is, is een eerste maatstaf voor beoordeling van de kromming. In het algemeen wordt een kromme paal pas gevuld met beton, nadat er beslist is of, en welke maatregelen eventueel benodigd zijn. Overigens is de kromming vrijwel nooit zo groot, dat voorzieningen aan de constructie vereist zijn. Controle van de kromming van de paal wordt niet altijd uitgevoerd.


BETONVULLING, WAPENING
Voor het storten van beton in de paal kan een controle vereist zijn inzake de volgende aspecten:

Het aanbrengen van kopwapening in de paal kan ofwel voorafgaand aan het storten van beton gebeuren ofwel achteraf.


VASTLEGGING GEGEVENS
De volgende gegevens van het heiwerk worden schriftelijk vastgelegd:

Eventueel worden geregisteerd:

terug naar de produktpagina stalen buispalen