§.2 Van toepassing zijnde voorschriften, tegenstrijdige bepalingen
1. De bepalingen van deze U.A.V. gelden voor zover daarvan in het bestek niet uitdrukkelijk
is afgeweken.
2. Tot het bestek behoren mede, als waren zij er letterlijk in opgenomen, de op het werk van
toepassing verklaarde Nederlandse normen (normbladen en -voorschriften) van de
Stichting Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze drie maanden voor de dag van
aanbesteding luiden.
3. Op de overeenkomst is van toepassing het Nederlandse recht.
4. Indien onderdelen van het bestek onderling tegenstrijdig zijn, wordt, tenzij een andere
bedoeling uit het bestek voortvloeit, de rangorde daarvan bepaald aan de hand van de
volgende regels:
a. een nieuw geschreven of getekend document gaat voor een oud geschreven of
getekend document;
b. de beschrijving gaat voor een tekening;
c. een bijzondere regeling gaat voor een algemene regeling; met dien verstande, dat
regel a gaat voor de regels b en c, en regel b voor regel c.
Indien toepassing van deze regels geen uitkomst biedt, wordt de tegenstrijdigheid, met
inachtneming van de billijkheid, uitgelegd ten nadele van degene door of namens wie het
bestek is opgesteld.
5. Het in het vierde lid bepaalde laat onverlet de verplichting van de aannemer om de
opdrachtgever te waarschuwen in geval van een klaarblijkelijke tegenstrijdigheid tussen
onderdelen van het bestek.
§.3 Directie
1. De opdrachtgever is gerechtigd één of meer personen aan te wijzen om als directie op te
treden of de directie bij te staan dan wel als zodanig aangewezen personen door anderen
te vervangen.
2. Indien de opdrachtgever niet één of meer personen wil aanwijzen om als directie op te
treden, is hij verplicht hiervan vóór de uitvoering van het werk schriftelijk mededeling te
doen aan de aannemer. Indien door het niet aanwijzen of niet vervangen van een of meer
personen om als directie op te treden meer van de aannemer wordt verlangd dan
redelijkerwijs van hem kan worden gevergd, heeft hij recht op bijbetaling.
3. De opdrachtgever geeft van elke aanwijzing, indien deze niet reeds in het bestek is
gedaan, en van elke wijziging of intrekking daarvan, onverwijld schriftelijk kennis aan de
aannemer.
4. Zolang en voor zover de opdrachtgever niet schriftelijk aan de aannemer van het
tegendeel doet blijken, vertegenwoordigt de directie de opdrachtgever in alle zaken het
werk betreffende. In de gevallen echter, waar in de U.A.V. uitdrukkelijk de opdrachtgever
is genoemd, is alleen deze bevoegd.
5. Indien meer dan één persoon als directie is aangewezen, wordt ieder der aangewezen
personen geacht de directie te vertegenwoordigen.
6. De directie oefent het toezicht uit op de uitvoering van het werk en op de naleving van de
overeenkomst.
7. Personen, die zijn aangewezen om de directie bij te staan, binden deze in zoverre het
tegendeel niet schriftelijk aan de aannemer is medegedeeld.
8. De directie is bevoegd te bepalen, dat door haar aan te duiden werkzaamheden niet
mogen worden uitgevoerd dan in tegenwoordigheid van de directie of van door haar
aangewezen personen.
9. Indien en zolang de opdrachtgever van zijn in het eerste lid bedoelde bevoegdheid geen
gebruik heeft gemaakt, treedt hij daar, waar in de U.A.V. sprake is van de directie, in haar
plaats.
§.4 Gevolmachtigde van de aannemer
1. De aannemer is te allen tijde gerechtigd bij door de directie goed te keuren volmacht een
of meer personen aan te wijzen om hem in zaken het werk betreffende te
vertegenwoordigen. Ditzelfde geldt bij wijziging van bedoelde volmacht.
2. Een door de aannemer gewaarmerkt afschrift van de volmacht wordt onverwijld aan de
directie verschaft.
3. De aanwijzing van iedere gevolmachtigde geschiedt voor het werk of voor een bepaald
gedeelte ervan.
§.5 Verplichtingen van de opdrachtgever
1. De opdrachtgever zorgt er voor, dat de aannemer tijdig kan beschikken:
a. over de vergunningen, ontheffingen of dergelijke beschikkingen, die voor de opzet
van het werk volgens het bestek vereist zijn;
b. over het terrein of het water, waarop of waarin het werk moet worden uitgevoerd;
c. over de benodigde tekeningen en andere gegevens;
d. over de verstrekkingen, die de opdrachtgever ingevolge de overeenkomst doet.
Indien de aard van het werk hiertoe aanleiding geeft, houdt de directie vóór de aanvang
van het werk een bouwbespreking met de aannemer en de leidingbeheerders, waarbij de
aannemer wordt ingelicht omtrent de juiste ligging van de zich in of nabij het werk en het
werkterrein bevindende ondergrondse kabels en leidingen en waarbij wordt vastgesteld
wat daarmee moet geschieden. Indien de directie deze bouwbespreking niet houdt, zal de
aannemer vóór de aanvang van het werk om het houden van die bespreking verzoeken. De
directie zal aan dit verzoek gevolg geven.
2. De opdrachtgever draagt de verantwoordelijkheid voor de door of namens hem
voorgeschreven constructies en werkwijzen, daaronder begrepen de invloed die daarop
door de bodemgesteldheid wordt uitgeoefend, alsmede voor de door of namens hem
gegeven orders en aanwijzingen.
3. Indien bouwstoffen of hulpmiddelen, die de opdrachtgever ter beschikking heeft gesteld,
gebreken mochten hebben, is de opdrachtgever aansprakelijk voor de daardoor
veroorzaakte schade.
4. De opdrachtgever is aansprakelijk voor de functionele ongeschiktheid:
a. van door hem voorgeschreven bouwstoffen;
b. van bouwstoffen, die bij een door hem voorgeschreven leverancier moeten worden
betrokken, tenzij de aannemer een keuzemogelijkheid had met betrekking tot deze
bouwstoffen.
Onder de functionele ongeschiktheid van bouwstoffen wordt verstaan het naar hun aard
niet geschikt zijn van deze bouwstoffen voor het doel waarvoor zij blijkens het bestek zijn
bestemd.
5. De opdrachtgever is aansprakelijk voor de niet of niet tijdige levering:
a. van bouwstoffen die bij een voorgeschreven leverancier moeten worden betrokken;
b. van door hem voorgeschreven bouwstoffen, tenzij de aannemer een
keuzemogelijkheid had met betrekking tot de leverancier van deze bouwstoffen, mits
in elk van de beide gevallen de aannemer het redelijkerwijs nodige heeft gedaan om
nakoming en/of schadevergoeding te verkrijgen.
6. Indien wettelijke voorschriften of beschikkingen van overheidswege hogere eisen aan het
werk stellen dan in de overeenkomst is bepaald, zullen wijzigingen van het werk, welke
nodig zijn om aan die eisen te voldoen, worden verrekend als meer werk.
7. De opdrachtgever zal het aan de aannemer toekomende volgens de in de overeenkomst
gestelde regelen voldoen.
8. Indien het bouwterrein, de uit het werk komende oude bouwstoffen of de door de
opdrachtgever ter beschikking gestelde bouwstoffen verontreinigd zijn, wordt de aard en
de omvang daarvan, voor zover voor de uitvoering van het werk van belang, in het bestek
vermeld. De opzet van het werk zal zodanig zijn, dat daardoor schade aan persoon, goed
of milieu zoveel mogelijk wordt beperkt.
§.6 Verplichtingen van de aannemer
1. De aannemer is verplicht het werk uit te voeren naar de bepalingen van de overeenkomst
zonder aanspraak op verrekening, bijbetaling of schadevergoeding te kunnen doen gelden
dan in de gevallen, waarin dat bepaaldelijk voorgeschreven of kennelijk bedoeld is. Hij is
verplicht al datgene te verrichten, wat naar de aard van de overeenkomst door de wet, de
billijkheid of het gebruik wordt gevorderd of tot een behoorlijke aanwending der
bouwstoffen behoort.
2. De aannemer is verplicht het werk uit te voeren volgens de door de directie te verstrekken
en de door haar goed te keuren tekeningen. Hij is verplicht de orders en aanwijzingen op
te volgen, die hem door de directie worden gegeven.
3. De verplichtingen van de aannemer omvatten mede:
a. de levering van de nodige bouwstoffen en het verrichten van de nodige
werkzaamheden;
b. de beschikbaarstelling van gereedschap, materieel, hulpmaterialen, hulpstoffen,
hulpwerken en andere hulpmiddelen, nodig voor de uitvoering van het werk en het
verrichten van de nodige hulpwerkzaamheden;
c. de betaling van precario, kosten van aansluiting van hulpleidingen en dergelijke.
4. Het werk en de uitvoering daarvan zijn voor rekening van de aannemer met ingang van de
datum van aanvang of zoveel eerder als de aannemer ingevolge §.7, tweede lid, met het
werk begint, tot en met de dag waarop het werk overeenkomstig het bepaalde in §.10,
eerste of tweede lid, als opgeleverd wordt beschouwd. Onder het werk en de uitvoering
daarvan worden mede begrepen de voorbereiding, de aanvoer van bouwstoffen, de
uitvoering van hulpwerken, de doelmatigheid en capaciteit van werktuigen en
gereedschappen.
5. De uitvoering van het werk moet zodanig zijn, dat de totstandkoming van het werk
overeenkomstig de volgens §.8, eerste lid, in het bestek voorgeschreven termijn verzekerd
is.
6. De wijze van uitvoering van het werk moet zodanig zijn, dat voor de opdrachtgever dan
wel voor derden geen nodeloze hinder is te duchten. De aannemer dient het werk zodanig
uit te voeren, dat daardoor schade aan persoon, goed of milieu zoveel mogelijk wordt
beperkt.
7. Onvoldoend werk wordt binnen een door de directie in billijkheid te stellen termijn tot
haar genoegen door de aannemer verbeterd of vernieuwd. Deze verbetering of vernieuwing
geschiedt op kosten van de aannemer, tenzij het onvoldoend werk het gevolg is van een
omstandigheid die voor rekening van de opdrachtgever komt.
8. De aannemer is aansprakelijk voor schade aan met het werk in verband staande werken
van de opdrachtgever en aan andere werken en eigendommen van de opdrachtgever, voor
zover deze door de uitvoering van het werk is toegebracht en te wijten is aan nalatigheid,
onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van de aannemer, zijn personeel, zijn
onderaannemers of zijn leveranciers.
9. De aannemer vrijwaart de opdrachtgever tegen aanspraken van derden tot vergoeding van
schade, voor zover deze door de uitvoering van het werk is toegebracht en te wijten is
aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van de aannemer, zijn
personeel, zijn onderaannemers of zijn leveranciers.
10. De aannemer zorgt voor de tijdige verkrijging van vergunningen, ontheffingen en
dergelijke beschikkingen, die hij nodig heeft of wenst, voor zover zij niet behoren tot die,
waarvoor de opdrachtgever ingevolge het bepaalde in §.5, eerste lid, sub a zorg draagt.
11. De aannemer wordt geacht bekend te zijn met de voor de uitvoering van het werk van
belang zijnde wettelijke voorschriften en beschikkingen van overheidswege, voor zover
deze op de dag van aanbesteding in werking zijn getreden. De aan de naleving van deze
voorschriften en beschikkingen verbonden gevolgen zijn voor zijn rekening.
12. De gevolgen van de naleving van voorschriften van bijzondere aard zijn voor rekening van
de aannemer, tenzij redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat hij deze voorschriften
niet behoefde te kennen. In dit laatste geval heeft hij aanspraak op bijbetaling.
13. De gevolgen van de naleving van wettelijke voorschriften of beschikkingen van
overheidswege, die na de dag van aanbesteding in werking treden, komen voor rekening
van de opdrachtgever, tenzij redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aannemer
die gevolgen reeds op de dag van aanbesteding had kunnen voorzien. Indien echter in de
overeenkomst bepalingen zijn opgenomen betreffende de verrekening van wijzigingen van
lonen en sociale lasten of van prijzen, huren en vrachten, komen de gevolgen daarvan
slechts voor rekening van de opdrachtgever, indien en voor zover zulks uit die bepalingen
voortvloeit.
14. Indien de constructies, werkwijzen, orders en aanwijzingen, bedoeld in §.5, tweede lid,
dan wel de bouwstoffen of hulpmiddelen, bedoeld in §.5, derde lid, klaarblijkelijk zodanige
fouten bevatten of gebreken vertonen, dat de aannemer in strijd met de goede trouw zou
handelen door zonder de directie daarop te wijzen tot uitvoering van het desbetreffende
onderdeel van het werk over te gaan, is hij voor de schadelijke gevolgen van zijn verzuim
aansprakelijk. Het in dit lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de in §.5,
vierde en vijfde lid, bedoelde gevallen.
15. Indien de aannemer meent, behalve op de aannemingssom, op de vergoeding van de
omzetbelasting en op de verrekening ingevolge de §§.35 tot en met 39, nog andere
aanspraken jegens de opdrachtgever te hebben, geeft hij daarvan zo spoedig mogelijk
schriftelijk aan deze kennis en in elk geval op zodanig tijdstip dat de directie de terzake
nodige gegevens kan verzamelen. Aan het verzamelen van die gegevens verleent de
aannemer zijn medewerking. De opdrachtgever of de directie kan van de aannemer nadere
inlichtingen verlangen omtrent de door hem kenbaar gemaakte aanspraken.
16. De aannemer zorgt voor orde en veiligheid op het werk. Hij zorgt tevens voor een
zodanige verlichting, dat een goede uitvoering van het werk gewaarborgd is.
17. De aannemer is verplicht alle onbekwame dan wel ongeschikte personen, die van
zijnentwege of vanwege een onderaannemer of leverancier op het werk aanwezig zijn, op
verlangen van de directie onverwijld daarvan te doen verwijderen.
18. De aannemer moet gedurende de uitvoering van het werk op of in de nabijheid van de
plaats, waar het wordt uitgevoerd, aanwezig zijn, tenzij de directie zulks onnodig oordeelt
of een gevolmachtigde hem overeenkomstig §.4 vertegenwoordigt.
19. De aannemer zorgt er voor, dat bij de uitvoering van het werk, tenzij hijzelf of zijn
gevolmachtigde ter plaatse is, steeds een persoon aanwezig is, die de opdracht heeft
orders of aanwijzingen van de directie op te volgen en deze onverwijld aan hem of zijn
gevolmachtigde over te brengen.
20. De aannemer verleent toegang tot het werk en het werkterrein aan de personen, die door
de opdrachtgever of de directie tot toegang zijn gemachtigd, voor zover hij daartegen
geen redelijke bezwaren heeft.
21. Behalve het te werk gestelde personeel en uit anderen hoofde bevoegde personen mag de
aannemer andere personen op het werk en het werkterrein toelaten voor zover de
opdrachtgever of de directie daartegen geen redelijke bezwaren kenbaar maakt.
22. De aannemer zorgt er voor, dat de directie en door de directie aangewezen personen, voor
zover fabrieksgeheim zich daartegen niet verzet, vrije toegang hebben tot de terreinen,
fabrieken, werkplaatsen en loodsen, zowel van de aannemer als van onderaannemers en
leveranciers, waar werkzaamheden ten behoeve van het werk worden verricht of voor het
werk bestemde bouwstoffen zijn opgeslagen, teneinde de werkzaamheden respectievelijk
de bouwstoffen te inspecteren.
23. Indien uit hoofde van fabrieksgeheim vrije toegang als bedoeld in het voorgaande lid niet
of niet ten volle kan worden gegeven, moet hiervan kennis worden gegeven:
a. bij de inschrijving, indien de bevoegdheid tot het verlenen van vrije toegang bij de
aannemer berust;
b. bij de aanvraag tot goedkeuring van de betrokken onderaannemer of leverancier,
indien de bevoegdheid bij een van hen berust.
Een kennisgeving als bedoeld onder a zal niet worden aangemerkt als een aan de
inschrijving verbonden voorwaarde.
24. Indien twee of meer personen tezamen een werk hebben aangenomen, zijn zij hoofdelijk
voor de gehele uitvoering daarvan aansprakelijk. Zij zijn verplicht een van hen schriftelijk
aan te wijzen om hen in alle opzichten te vertegenwoordigen.
25. De aannemer mag het werk niet geheel of ten dele aan een ander overdragen zonder
schriftelijke goedkeuring van de opdrachtgever.
26. De aannemer kan bepaalde onderdelen van het werk in onderaanneming laten uitvoeren,
mits voor de keuze van deze onderdelen en van de daarvoor in te schakelen
onderaannemers de schriftelijke goedkeuring van de directie is verkregen; de aannemer
blijft niettemin jegens de opdrachtgever voor die onderdelen ten volle verantwoordelijk.
27. Indien door of namens de opdrachtgever het inschakelen van een bepaalde
onderaannemer is of wordt voorgeschreven, is de aannemer voor wat het werk van die
onderaannemer betreft jegens de opdrachtgever tot niet meer gehouden dan tot datgene,
waartoe de aannemer die onderaannemer kan houden krachtens de voorwaarden van
onderaanneming zoals deze door de opdrachtgever zijn aanvaard of goedgekeurd.
Indien de voorgeschreven onderaannemer niet, niet tijdig of niet deugdelijk presteert en
de aannemer het redelijkerwijs nodige heeft gedaan om nakoming en/of schadevergoeding
te verkrijgen, zal de opdrachtgever de voor de aannemer ontstane meerdere
uitvoeringskosten aan hem vergoeden, voor zover deze hem niet zijn vergoed door de
onderaannemer. Daartegenover zal de aannemer, op eerste verzoek van de opdrachtgever,
aan deze zijn vordering op de voorgeschreven onderaannemer cederen tot aan het door de
opdrachtgever aan hem vergoede bedrag.
28. Indien onderdelen van het werk in onderaanneming worden uitgevoerd, zal de aannemer
de onderaannemer volledig inlichten omtrent de bepalingen van het bestek, die bij het
desbetreffende onderdeel van belang kunnen zijn, en omtrent de wijze van uitvoering.
29. Orders en aanwijzingen betreffende die onderdelen zullen door de directie uitsluitend aan
de aannemer worden kenbaar gemaakt en zullen door deze aan de onderaannemer worden
doorgegeven, tenzij de aannemer na overleg met de onderaannemer schriftelijk verzoekt
bedoelde orders en aanwijzingen tevens rechtstreeks aan de onderaannemer mede te
delen.
30. De aannemer is verplicht ter zake van de overeenkomst in Nederland domicilie te hebben
voor zover hij niet reeds in Nederland is gevestigd.
§.7 Datum van aanvang
1. Als datum van aanvang zal worden aangemerkt de vijfde werkdag na de dag waarop de
aannemer het werk is opgedragen.
2. Tenzij in het bestek anders is bepaald, staat het de aannemer vrij, behoudens bezwaar
van de directie, ook vóór de datum van aanvang met het werk te beginnen.
§.8 Uitvoeringsduur, uitstel van oplevering
1. De termijn, binnen welke het werk moet worden opgeleverd, wordt in het bestek
uitgedrukt:
a. hetzij in een aantal werkbare werkdagen;
b. hetzij in een aantal kalenderdagen, -weken of -maanden;
c. hetzij door een bepaalde dag te noemen.
2. Indien een termijn is uitgedrukt in een aantal werkbare werkdagen, worden werkdagen,
respectievelijk halve werkdagen, als onwerkbaar beschouwd, wanneer daarop door
omstandigheden buiten de aansprakelijkheid van de aannemer gedurende tenminste vijf
uren, respectievelijk tenminste twee uren, door het grootste deel van de arbeiders of
machines niet kon worden gewerkt.
3. Als de oplevering van het werk zou moeten geschieden op een dag die geen werkdag is,
geldt de eerstvolgende werkdag als de overeengekomen dag van oplevering.
4. De termijn, binnen welke het werk moet worden opgeleverd, kan door de opdrachtgever
worden verlengd, hetzij eigener beweging, hetzij op een daartoe strekkend verzoek van de
aannemer. Indien door overmacht, door voor rekening van de opdrachtgever komende
omstandigheden, of door het door of namens de opdrachtgever aanbrengen van
bestekswijzigingen dan wel van wijzigingen in de uitvoering van het werk, niet van de
aannemer kan worden gevergd dat het werk binnen de overeengekomen termijn wordt
opgeleverd, heeft hij recht op termijnsverlenging.
5. Een verzoek van de aannemer om termijnsverlenging zal slechts in overweging kunnen
worden genomen, indien dit schriftelijk geschiedt en - behoudens ontheffing door de
directie - tenminste veertien dagen voor het verstrijken van de termijn bij de directie is
bezorgd.
§.9 Opneming en goedkeuring
1. De opneming van het werk geschiedt op schriftelijke, tot de directie gerichte aanvrage van
de aannemer, waarin deze mededeelt op welke dag het werk naar zijn oordeel voltooid zal
zijn. De directie kan genoegen nemen met een mondelinge mededeling, welke in het
dagboek of weekrapport, bedoeld in §.27, wordt aangetekend.
2. De opneming geschiedt zo spoedig mogelijk en in de regel binnen acht dagen na de in het
eerste lid bedoelde dag. De dag en het tijdstip van opneming worden aan de aannemer
tijdig en zo mogelijk tenminste drie dagen tevoren schriftelijk medegedeeld. De directie
kan verlangen, dat de aannemer of zijn gevolmachtigde bij de opneming tegenwoordig is.
3. Nadat het werk is opgenomen, wordt aan de aannemer binnen acht dagen schriftelijk
medegedeeld, of het al dan niet is goedgekeurd, in het laatste geval met opgaaf van de
gebreken, die de redenen voor de onthouding van de goedkeuring zijn. Wordt het werk
goedgekeurd, dan wordt als dag van goedkeuring aangemerkt de dag waarop de
desbetreffende mededeling aan de aannemer is verzonden.
4. Met toestemming van de aannemer kan, in plaats van de schriftelijke mededeling bedoeld
in het vorige lid, worden volstaan met een overeenkomstige aantekening in het dagboek
of weekrapport, met vermelding van de datum der aantekening. Alsdan wordt, indien het
werk wordt goedgekeurd, als dag van goedkeuring aangemerkt de dag waarop de
desbetreffende aantekening is geplaatst.
5. Wordt niet binnen acht dagen na de opneming een schriftelijke mededeling, of het werk al
dan niet is goedgekeurd, aan de aannemer verzonden dan wel, in het geval bedoeld in het
vierde lid, een overeenkomstige aantekening in het dagboek of weekrapport geplaatst,
dan wordt het werk geacht op de achtste dag na de opneming te zijn goedgekeurd.
6. Geschiedt de opneming niet binnen vijftien dagen na de in het eerste lid bedoelde dag,
dan kan de aannemer bij aangetekende brief een nieuwe aanvrage tot de directie richten,
met verzoek het werk binnen acht dagen op te nemen. Voldoet de directie niet aan dit
verzoek, dan wordt het werk geacht op de achtste dag na de verzending van die brief te
zijn goedgekeurd.
7. Kleine gebreken, die gevoeglijk vóór een nog volgende betalingstermijn kunnen worden
hersteld, zullen geen reden tot onthouding van goedkeuring mogen zijn, mits zij een
eventuele ingebruikneming niet in de weg staan. De aannemer is gehouden de in dit lid
bedoelde gebreken zo spoedig mogelijk te herstellen.
8. Met betrekking tot een heropneming na onthouding van goedkeuring vinden de
bovenvermelde bepalingen overeenkomstige toepassing.
9. Bij een heropneming zullen andere gebreken dan die, welke overeenkomstig het zevende
lid aan de aannemer zijn opgegeven, alleen dan reden tot hernieuwde onthouding van
goedkeuring kunnen zijn, indien zij eerst na de voorafgegane opneming aan de dag zijn
getreden.
§.10 Oplevering
1. Het werk wordt als opgeleverd beschouwd, indien het overeenkomstig het bepaalde in §.9
is of geacht wordt te zijn goedgekeurd. De dag, waarop het werk is of geacht wordt te zijn
goedgekeurd, geldt als dag waarop het werk als opgeleverd wordt beschouwd.
2. Indien de aannemer niet een aanvrage om opneming als bedoeld in §.9, eerste lid, tot de
directie heeft gericht, doch de opdrachtgever het werk voltooid acht, kan deze de
aannemer zulks schriftelijk mededelen. De vijfde dag na de verzending van deze
mededeling geldt dan als dag waarop het werk als opgeleverd wordt beschouwd.
3. De opdrachtgever kan het werk, voordat dit voltooid is, of een al dan niet voltooid
onderdeel daarvan, in gebruik nemen of doen nemen mits de ingebruikneming een
voldoende voortgang van het werk niet in gevaar brengt. De opdrachtgever gaat hiertoe
niet over dan nadat hij dit schriftelijk aan de aannemer heeft medegedeeld en een
opneming van het in gebruik te nemen werk of onderdeel daarvan heeft plaats gevonden.
Indien door de ingebruikneming meer wordt verlangd van de aannemer dan redelijkerwijs
van hem kan worden gevergd, zal dit worden verrekend als meer werk.
Indien door de ingebruikneming schade aan het werk ontstaat komt deze schade niet voor
rekening van de aannemer. Door de in dit lid bedoelde ingebruikneming en opneming
wordt het werk, dan wel dat onderdeel, niet als opgeleverd beschouwd.
§.11 Onderhoudstermijn
1. Indien in het bestek een onderhoudstermijn is voorgeschreven, gaat deze termijn in
onmiddellijk na de dag waarop het werk overeenkomstig het bepaalde in §.10, eerste of
tweede lid, als opgeleverd wordt beschouwd.
2. De aannemer is gehouden gebreken, welke in de onderhoudstermijn aan de dag treden, te
herstellen, met uitzondering echter van die, waarvoor de opdrachtgever op grond van §.5,
tweede lid, de verantwoordelijkheid draagt of waarvoor hij op grond van §.5, derde lid,
aansprakelijk is.
3. Het in het tweede lid bedoelde herstel geschiedt voor rekening van de aannemer, tot genoegen
van de directie en binnen een door haar in billijkheid te stellen termijn.
4. In de onderhoudstermijn optredende schade aan het werk is voor rekening van de
opdrachtgever, met uitzondering echter van die schade, welke het gevolg is van door de
aannemer verricht onvoldoend werk. In het laatste geval is het bepaalde in het derde lid van
overeenkomstige toepassing.
5. Indien de aannemer zich desgevraagd verbindt tot herstel van niet voor zijn rekening komende
gebreken of schade aan het werk, geschiedt de verrekening daarvan als meer werk.
6. Na afloop van de onderhoudstermijn zal het werk wederom worden opgenomen om te
constateren, of de aannemer aan zijn verplichtingen heeft voldaan, waarbij wordt gehandeld
overeenkomstig het bepaalde in §.9.
§.12 Aansprakelijkheid van de aannemer na oplevering
1. Na de dag, waarop het werk overeenkomstig het bepaalde in §.10, eerste of tweede lid, als
opgeleverd wordt beschouwd, is de aannemer niet meer aansprakelijk voor tekortkomingen
aan het werk.
2. Het in het eerste lid bepaalde lijdt uitzondering:
a. indien het geval, voorzien in artikel 1645 B.W., zich voordoet;
b. indien het werk of enig onderdeel daarvan door schuld van de aannemer, zijn
leverancier, zijn onderaannemer of zijn personeel een verborgen gebrek bevat en de
aannemer van zodanig verborgen gebrek binnen een redelijke termijn na de ontdekking
mededeling is gedaan.
3. Een gebrek als bedoeld in het tweede lid onder b is slechts dan als een verborgen gebrek aan
te merken, indien het, ondanks nauwlettend toezicht tijdens de uitvoering dan wel bij de
opneming van het werk, bedoeld in §.9, tweede lid, door de directie redelijkerwijs niet
onderkend had kunnen worden.
4. De rechtsvordering uit hoofde van een verborgen gebrek is niet ontvankelijk, indien zij wordt
ingesteld na verloop van vijf jaren na de in het eerste lid bedoelde dag.
5. Indien in het bestek een onderhoudstermijn is voorgeschreven, treedt voor de toepassing van
deze paragraaf de dag na het verstrijken van die termijn in de plaats van de in het eerste lid
bedoelde dag en wordt onder opneming van het werk verstaan: de opneming genoemd in §.11,
zesde lid.
§.13 Wijzigingen in tijdstippen van uitvoering
1. De directie is bevoegd:
a. indien in het bestek een onderhoudstermijn als bedoeld in §.11, eerste lid, is
voorgeschreven, de uitvoering van ondergeschikte werkzaamheden tot in die
onderhoudstermijn te verschuiven;
b. bij meerjarig onderhoud de uitvoering van werken, waartoe de aannemer in een bepaald
jaar verplicht is, in een ander jaar binnen de duur van dit onderhoud te verlangen.
2. Indien het voorafgaande aanleiding tot verrekening geeft, wordt daarvoor overeenkomstig het
bepaalde in §.36 een regeling getroffen.
§.14 Schorsing van het werk en beëindiging van het werk in onvoltooide staat
1. De opdrachtgever is bevoegd de uitvoering van het werk voor het geheel of voor een gedeelte te
schorsen.
2. In spoedeisende gevallen is de directie, hangende de beslissing van de opdrachtgever,
voorlopig tot zodanige schorsing bevoegd.
3. Gedurende de schorsing is de aannemer verplicht:
a. in overleg met de directie gepaste maatregelen te nemen ter voorkoming en beperking
van schade, die aan het werk zou kunnen ontstaan;
b. na te laten zowel hetgeen schade aan het werk ten gevolge zou kunnen hebben als
hetgeen de latere voortzetting zou kunnen bemoeilijken.
4. Voorzieningen, die de aannemer ten gevolge van de schorsing moet treffen, worden als meer
werk met hem verrekend. Schade, die de aannemer ten gevolge van de schorsing lijdt, wordt
hem vergoed.
5. Indien de schorsing langer dan één maand duurt, kan de aannemer bovendien vorderen, dat
een evenredige betaling voor het uitgevoerde gedeelte van het werk plaats heeft. Daarbij wordt
rekening gehouden met de nog niet verwerkte bouwstoffen, voor zover deze in verband met het
bepaalde in §.19 eigendom van de opdrachtgever zijn geworden. Nog niet verwerkte voor
keuring gereed zijnde bouwstoffen worden op verzoek van de aannemer eerst nog gekeurd.
6. Indien de schorsing van het gehele werk langer duurt dan zes maanden, is de aannemer
bevoegd het werk in onvoltooide staat te beëindigen.
7. De opdrachtgever is bevoegd de aannemer op te dragen het werk in onvoltooide staat te
beëindigen.
8. Wanneer door voor rekening van de opdrachtgever komende omstandigheden de uitvoering van
het werk gedurende meer dan twee maanden ononderbroken is vertraagd, is de aannemer
bevoegd het werk in onvoltooide staat te beëindigen.
9. In de gevallen bedoeld in het zesde, zevende en achtste lid zal de opdrachtgever zo spoedig
mogelijk na de beëindiging het werk overnemen. De aannemer is tot aan de overneming van
het werk door de opdrachtgever gehouden de in het derde lid bedoelde verplichtingen na te
komen.
10. De aannemer heeft alsdan recht op de aannemingssom, vermeerderd met de kosten die hij als
gevolg van de niet-voltooiing heeft moeten maken en verminderd met de hem door de
beëindiging bespaarde kosten. Aanspraken van de aannemer en de opdrachtgever op hetgeen
overigens ter zake van de overeenkomst verschuldigd is blijven onverlet.
§.15 Werkterrein
1. Indien in het bestek oppervlakten van grond of water als werkterrein zijn aangeduid, heeft de
aannemer daarover de kosteloze beschikking, zolang de uitvoering van het werk dit nodig
maakt. Gebruik van ander terrein of water als werkterrein is voor rekening van de aannemer.
2. De directie wijst aan, na overleg met de aannemer, welke gedeelten van het werkterrein in
gebruik mogen worden genomen als opslagplaatsen en voor de plaatsing van keten, loodsen,
hulpwerken en andere hulpmiddelen.
3. De aannemer kan vóór de aanvang van het werk schriftelijk vorderen, dat de toestand van het
werkterrein zo goed mogelijk wordt vastgesteld, in welk geval de opneming door de directie in
samenwerking met en voor rekening van de aannemer ten spoedigste plaats vindt. Indien
daarbij afwijkingen ten opzichte van de in het bestek omschreven toestand aan het licht
komen, is het bepaalde in §.29, derde lid, van toepassing.
4. Na gebruik en uiterlijk bij de oplevering moet het werkterrein naar genoegen van de directie
zoveel mogelijk weder in de oorspronkelijke toestand worden opgeleverd.
§.16 Afsluiting, reclame
1. Indien de opdrachtgever afsluiting van het werk en het werkterrein nodig oordeelt, wordt de
wijze van afsluiting in het bestek omschreven.
2. De opdrachtgever heeft het recht om na overleg met de aannemer op schuttingen en
afrasteringen, welke dienen ter afsluiting van het werk of het werkterrein, alsmede elders op
het werkterrein of aan het werk reclame of andere kennisgevingen aan te brengen.
3. Aan de aannemer is het evenwel toegestaan op een deel van die plaatsen aanduidingen van
zijn naam en bedrijf aan te brengen, mits plaats, uiterlijk en afmetingen hiervan door de
directie zijn goedgekeurd. Hetzelfde kan door de directie op een door tussenkomst van de
aannemer gedaan verzoek aan onderaannemers en leveranciers worden toegestaan.
§.17 Verwerking van bouwstoffen
1. Met inachtneming van het derde, vierde en vijfde lid van §.5 staat de aannemer in voor de
goede hoedanigheid van de bouwstoffen, voor de geschiktheid voor hun bestemming en het
voldoen aan de gestelde eisen, alsmede voor de tijdige levering.
2. De aannemer mag geen bouwstoffen verwerken, die niet zijn goedgekeurd.
3. De directie kan verlangen, dat goedgekeurde bouwstoffen ook nadat zij zijn verwerkt alsnog
worden vervangen, indien daaraan na de keuring nog gebreken worden geconstateerd. Deze
vervanging geschiedt voor rekening van de opdrachtgever en wordt als meer werk verrekend,
onverminderd het recht van de aannemer op schadevergoeding, indien daartoe gronden zijn.
Indien echter het gebrek een verborgen gebrek was en de aannemer, zijn leverancier, zijn
onderaannemer of zijn personeel schuld heeft aan het gebrek, komt deze vervanging voor
rekening van de aannemer.
4. De directie is bevoegd een bewijs van oorsprong van bouwstoffen te verlangen.
5. Indien de directie zulks goed vindt, zal de aannemer in plaats van met een fabrieksnaam
aangeduide bouwstoffen andere mogen leveren, mits van overeenkomstige hoedanigheid.
§.18 Keuring van bouwstoffen
1. De bouwstoffen worden, voordat zij in het werk worden gebracht, door de directie gekeurd en -
indien goedgekeurd - zo nodig gemerkt. Door de opdrachtgever ter beschikking gestelde
bouwstoffen worden geacht te zijn goedgekeurd.
2. Ten behoeve van de keuring moeten de monsters en bouwstoffen tijdig op het werk of in de
werkplaatsen worden aangevoerd. Zolang de directie zulks nodig oordeelt, blijven door de
aannemer ingediende monsters onder haar berusting; zij zijn evenwel voor zijn rekening en
blijven voor hem toegankelijk.
3. De aannemer verleent bij de keuring, alsmede bij het merken van goedgekeurde bouwstoffen,
de nodige hulp en stelt daartoe personeel en eenvoudige hulpmiddelen ter beschikking.
4. De aannemer is bevoegd bij de keuring aanwezig te zijn of zich te doen vertegenwoordigen; de
directie kan dit van hem verlangen.
5. De directie is bevoegd bouwstoffen door derden te doen onderzoeken; de hieraan verbonden
kosten zijn voor rekening van de opdrachtgever, behoudens het bepaalde in het zesde lid,
onder d.
6. Voor rekening van de aannemer komen de kosten van:
a. het beschikbaar stellen van de voor de keuring nodige bouwstoffen;
b. het brengen van de bouwstoffen in een voor de keuring geschikte samenstelling en vorm;
c. de emballage en de verzending van elders te keuren bouwstoffen;
d. het in het vijfde lid bedoelde onderzoek, indien dit tot afkeuring leidt, tenzij het een
bouwstof betreft, in het bestek aangeduid met een fabrieksnaam, of waarvan de
Ieverancier door of namens de opdrachtgever is aangewezen;
e. de in het twaalfde lid bedoelde herkeuring, indien de deskundige de afkeuring handhaaft.
7. De in het vorige lid bedoelde kosten worden zo nodig overeenkomstig §.42, zesde lid,
verrekend.
8. De keuring geschiedt - ter keuze van de directie - op het werk, in de middelen van vervoer of
elders, zo spoedig mogelijk na aanvoer of gereedkoming. Indien, ondanks een door de directie
ontvangen schriftelijk verzoek van de aannemer om bouwstoffen te keuren, uiterlijk op een in
dat verzoek vermeld redelijk tijdstip de schriftelijke mededeling van de uitslag van de keuring
niet door de aannemer is ontvangen, worden die bouwstoffen geacht te zijn goedgekeurd.
Onder een schriftelijk verzoek en onder een mededeling als in dit lid bedoeld wordt mede
verstaan een aantekening in het dagboek of weekrapport, bedoeld in §.27.
9. Verzoekt de aannemer om keuring op een andere plaats dan door de directie is
voorgeschreven, dan wordt dat niet geweigerd, indien toestaan niet in strijd is met de belangen
van een goede hoedanigheid van het werk en van doeltreffende controle en mits de aannemer
de hogere kosten ervan voor zijn rekening neemt.
10. Waardevermindering en verlies van voor de keuring gebezigde bouwstoffen worden aan de
aannemer niet vergoed.
11. In geval van afkeuring van bouwstoffen kan zowel de directie als de aannemer vorderen, dat
een in onderlinge overeenstemming getrokken monster uit die bouwstoffen tot na de
beslechting van het uit die afkeuring mogelijk voortvloeiend geschil wordt bewaard. Deze
monsters worden door beiden gewaarmerkt. De bewaring geschiedt op een in onderlinge
overeenstemming te bepalen plaats.
12. De aannemer heeft de bevoegdheid om ingeval van afkeuring van bouwstoffen herkeuring aan
te vragen door een in overeenstemming met de opdrachtgever aan te wijzen deskundige, aan
wiens uitspraak partijen ook in een later geschil gebonden zijn.
13. Afgekeurde bouwstoffen worden zo spoedig mogelijk afgezonderd en van het werk verwijderd,
ook indien zij reeds mochten zijn verwerkt.
§.19 Eigendom van bouwstoffen
1. Alle voor het werk bestemde bouwstoffen worden - zonder dat de opdrachtgever daardoor
aansprakelijk wordt voor betalingen aan leveranciers of andere rechthebbenden - eigendom van
de opdrachtgever, zodra zij zijn goedgekeurd en de aannemer door overlegging van (een)
verklaring(en) volgens het bij de U.A.V. behorende formulier B heeft aangetoond, dat de
leveranciers en eventuele andere rechthebbenden afstand doen van alle aanspraken op die
bouwstoffen ten behoeve van de opdrachtgever.
2. Geen overdracht van eigendom aan de opdrachtgever als bedoeld in het eerste lid wordt
geacht te hebben plaats gevonden:
a. indien een schuldeiser van de opdrachtgever beslag legt op de in het eerste lid
bedoelde bouwstoffen;
b. indien de opdrachtgever failliet wordt verklaard of hem surséance van betaling wordt
verleend en het werk door de curator dan wel door de opdrachtgever en diens
bewindvoerders niet wordt voortgezet.
Het in dit lid bepaalde lijdt nochtans uitzondering met betrekking tot die bouwstoffen, welke de
opdrachtgever aan de aannemer heeft betaald.
3. Na voltooiing van het werk overgebleven bouwstoffen worden aan de aannemer teruggegeven
en als niet geleverd beschouwd, behoudens toepassing van §.36, achtste lid.
§.20 Zorg voor bouwstoffen
1. De aannemer draagt zorg voor de goedgekeurde en de door de opdrachtgever ter beschikking
gestelde bouwstoffen, alsmede voor de uit het werk komende bouwstoffen. Verlies, vermissing
of beschadiging van deze bouwstoffen is voor zijn rekening, behoudens het bepaalde in §.44.
§.21 Oude bouwstoffen
1. De uit het werk komende oude bouwstoffen blijven eigendom van de opdrachtgever, tenzij de
directie verklaart, dat zij voor de opdrachtgever niet van waarde zijn.
2. De voor de opdrachtgever niet van waarde verklaarde oude bouwstoffen worden eigendom van
de aannemer en moeten worden weggevoerd; de directie kan verlangen, dat zulks geschiedt
binnen door haar te bepalen termijnen en tot een afstand van tenminste 200 m van het werk.
3. De aan de opdrachtgever verblijvende oude bouwstoffen worden behoorlijk gesorteerd - het
hout bovendien spijkerschoon gemaakt - en opgeborgen op door de directie aan te wijzen
plaatsen niet verder dan 200 m van het werk verwijderd.
4. De aannemer is niet verantwoordelijk voor de hoedanigheid van uit het werk komende
bouwstoffen, voor zover achteruitgang van die hoedanigheid niet aan hem is te wijten.
§.22 Garantie voor een onderdeel
1. Het bepaalde in deze paragraaf is van toepassing, tenzij het bestek anders bepaalt.
2. Indien in het bestek is vermeld dat één of meer onderdelen van het werk moeten worden
gegarandeerd, zal de garantie inhouden dat de garant zich verbindt om voor zijn rekening alle
tijdens de garantieperiode optredende gebreken, waarvan de opdrachtgever aannemelijk maakt
dat die met grote mate van waarschijnlijkheid moeten worden toegeschreven aan minder
goede hoedanigheid of gebrekkige uitvoering, op eerste aanzegging van de opdrachtgever zo
spoedig mogelijk te herstellen.
3. Indien in het bestek is vermeld dat een onderdeel van het werk door een onderaannemer of
een leverancier moet worden gegarandeerd, draagt de aannemer zorg voor het verstrekken van
de garantie door de onderaannemer of leverancier aan de opdrachtgever. Indien deze garantie
niet door de onderaannemer of leverancier wordt verstrekt, wordt een dienovereenkomstige
garantie door de aannemer verstrekt.
4. Een op grond van deze paragraaf overeengekomen garantie geldt vanaf het gereedkomen of de
levering van het gegarandeerde onderdeel gedurende de in het bestek genoemde periode.
§.23 Loodsen en andere hulpmiddelen
1. Hout en timmerwerken, voor zover niet bestemd voor verwerking in de grond of in
waterbouwkundige werken, board, stalen ramen en dergelijke worden zodanig opgeslagen, zo
nodig in van waterdichte daken voorziene loodsen, dat hun vorm, uiterlijk en samenstelling
behouden blijven en zij geen invloed van zon, regen of optrekkend vocht kunnen ondervinden.
Dezelfde eisen gelden voor wandtegels, kalk, tras, cement, gips, hang- en sluitwerk,
non-ferrometalen, sanitair, verven, behangsel en dergelijke; de voor deze bouwstoffen
bestemde loodsen moeten van waterdichte wanden voorzien en afsluitbaar zijn.
Voorts moeten de loodsen zo zijn ingedeeld en verlicht, dat de sortering en bewerking van de
in dit lid bedoelde bouwstoffen er tevens behoorlijk in kunnen geschieden.
2. Indien de beschikbaarstelling van een directieverblijf in het bestek is beschreven, stelt de
aannemer dit binnen tien werkdagen na de aanvang van het werk ter beschikking van de
directie. Het moet bereikbaar zijn over een goed begaanbaar toegangspad.
Het verblijf moet bestaan uit de in het bestek te beschrijven tenminste 2,30 m hoge
vertrekken, bij gebreke van welke beschrijving een vertrek met een vloeroppervlakte van
ongeveer 12 m2 moet worden gemaakt, voorts uit een spoelruimte, een tochtportaal, een
closetruimte en afsluitbare kasten. Het moet in- en uitwendig een goed voorkomen hebben,
worden samengesteld uit een waterdicht dubbel schotwerk voor de buitenwanden en voor de
plafond-dakconstructie en worden voorzien van de nodige vensters, een wasbak en
closetinrichting, voorts van gordijnen, tekentafel met afsluitbare laden, tekenbord, tafel,
stoelen, kapstok, handdoeken, zeep en dergelijke.
Indien het aanbrengen van een telefooninstallatie ten dienst van de directie in het bestek wordt
voorgeschreven, staat deze, zonder tussenverbinding, uitsluitend te harer beschikking; de
kosten van de gesprekken zijn voor rekening van de opdrachtgever.
De aannemer zorgt voor schoonhouden, verwarming en verlichting en voor verstrekking van
drinkwater, koffie en thee.
3. Alle loodsen, keten, directieverblijven, afsluitingen, hulp wegen, steigers, werktuigen,
gereedschappen en andere hulpmiddelen voor de uitvoering worden, zolang zij voor het werk
nodig zijn, door de aannemer in goede staat onderhouden. Zij worden, zodra zij niet meer
nodig zijn, binnen een door de directie te bepalen termijn en in elk geval vóór de oplevering van
het werk, of, indien in het bestek een onderhoudstermijn is voorgeschreven, vóór het einde
daarvan, verwijderd.
§.24 Hulpmiddelen van de opdrachtgever
1. Indien aan de aannemer het gebruik van gebouwen, terreinen en hulpmiddelen van de
opdrachtgever is opgedragen of vergund, komen het onderhoud en het herstel, zolang het
gebruik duurt, voor rekening van de aannemer.
2. In geval van verloren gaan door het in het eerste lid bedoelde gebruik, is hij verplicht tot
vergoeding van de schade.
3. Zodra het in gebruik genomene voor de uitvoering van het werk niet meer nodig is, stelt de
aannemer het, zoveel doenlijk in gelijke staat als hij het heeft ontvangen, weer ter beschikking
van de opdrachtgever en bergt de hulpmiddelen op door of namens hem aan te wijzen plaatsen
op.
§.25 Gezonken materieel
1. Indien ten behoeve van het werk in gebruik zijnde hulpmiddelen, zoals vaartuigen en
werktuigen, dan wel voor het werk bestemde bouwstoffen gezonken zijn in wateren, welke bij
de opdrachtgever in eigendom of beheer zijn, is de aannemer verplicht ze met inbegrip van
lading en toebehoren te lichten en te verwijderen.
2. Hij is in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, verplicht dadelijk de vereiste aanduiding en
verlichting aan te brengen, zo spoedig mogelijk de eerste maatregelen tot lichting, zoals het
onderdoor brengen van kettingen, te nemen en de lichting in zo kort mogelijke tijd te voltooien.
3. De in de voorgaande leden bedoelde werkzaamheden geschieden op kosten van de aannemer,
tenzij het in het eerste lid bedoelde zinken is veroorzaakt door een omstandigheid die voor
rekening van de opdrachtgever komt.
§.26 Algemeen tijdschema, werkplan
1. Indien zulks in de overeenkomst is voorgeschreven of na de opdracht door de directie wordt
verlangd, stelt de aannemer zo spoedig mogelijk een aan de aard van het werk aangepast
algemeen tijdschema op. In dit algemene tijdschema wordt duidelijk aangegeven op welke
wijze, in welke volgorde, met welk materieel en met welke hulpmiddelen de aannemer
voornemens is het werk en zijn onderdelen uit te voeren alsmede welke tijdsduur hij voor elk
onderdeel nodig acht. Tevens wordt daarin aangegeven op welke tijdstippen de aannemer ten
behoeve van de voortgang van het werk en de volgorde van de onderdelen ervan zal dienen te
beschikken over datgene waarvoor de opdrachtgever of de directie volgens de overeenkomst
dient te zorgen. Het algemene tijdschema dient te voldoen aan de eisen, die ten aanzien van
de uitvoering van het werk in de overeenkomst zijn gesteld, en wordt door de aannemer van
een behoorlijke toelichting voorzien.
2. De aannemer legt het algemene tijdschema, gedateerd en ondertekend, in tweevoud aan de
directie ter goedkeuring over, uiterlijk op de vijftiende werkdag na de dag waarop hem het werk
is opgedragen onderscheidenlijk de directie om een algemeen tijdschema heeft verzocht.
3. De directie beslist zo spoedig mogelijk omtrent de goedkeuring van het algemene tijdschema
en deelt haar beslissing, in elk geval uiterlijk op de tiende werkdag, nadat zij het heeft
ontvangen, schriftelijk aan de aannemer mede. De goedkeuring wordt slechts aan het
algemene tijdschema onthouden, indien uit de inhoud daarvan blijkt, dat niet aan de uit de
overeenkomst voortvloeiende eisen wordt voldaan.
4. De directie beslist zo spoedig mogelijk omtrent de goedkeuring van het algemene tijdschema
en deelt haar beslissing, in elk geval uiterlijk op de tiende werkdag, nadat zij het heeft
ontvangen, schriftelijk aan de aannemer mede. De goedkeuring wordt slechts aan het
algemene tijdschema onthouden, indien uit de inhoud daarvan blijkt, dat niet aan de uit de
overeenkomst voortvloeiende eisen wordt voldaan.
5. Het algemene tijdschema geldt als een leidraad voor de aannemer en verzwaart de voor hem
uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen niet. De goedkeuring door de directie van het
algemene tijdschema en daarin onder haar goedkeuring aangebrachte wijzigingen ontheffen de
aannemer niet van zijn verplichtingen om het werk naar de uit de overeenkomst voortvloeiende
eisen uit te voeren en tijdig te voltooien.
6. Indien van de aannemer wordt verlangd, dat hij in plaats van of naast het in deze paragraaf
bedoelde algemene tijdschema een gedetailleerd werkplan aan de directie overlegt, wordt
zulks, onder vermelding van de aan dit werkplan te stellen eisen, in de overeenkomst vermeld.
Voor zover de overeenkomst niet anders vermeldt, is het bepaalde in het eerste tot en met het
vijfde lid alsdan van overeenkomstige toepassing.
7. Wijzigingen door de directie in het goedgekeurde algemene tijdschema of gedetailleerde
werkplan aangebracht geven de aannemer aanspraak op bijbetaling, indien van hem meer
wordt verlangd dan redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.
§.27 Dagboek, lijsten, rapporten
1. De directie maakt weekrapporten op. Hierin worden onder meer aantekeningen opgenomen
betreffende:
- de vordering en de stand van het werk;
- de onwerkbare dagen en het verleende uitstel van oplevering;
- de aan- en afvoer en goedkeuring van bouwstoffen;
- de aan- en afvoer van materieel en hulpmiddelen;
- bestekswijzigingen, meer en minder werk, verwerkte hoeveelheden en stelposten;
- opneming, goedkeuring en oplevering van het werk;
- de verstrekking van tekeningen.
2. De in het eerste lid bedoelde aantekeningen worden telkens uiterlijk op de vijfde werkdag na
het verstrijken van de werkweek, waarop zij betrekking hebben, opgenomen in het
weekrapport, dat terstond na het opmaken door de directie wordt ondertekend.
3. Het door de directie ondertekende weekrapport wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op de
vijftiende werkdag na het verstrijken van de werkweek, waarop het betrekking heeft, aan de
aannemer ter ondertekening voorgelegd. Aan de aannemer wordt afschrift van de
weekrapporten verstrekt.
4. Indien de aannemer zich met de inhoud van het weekrapport kan verenigen, tekent hij dit voor
akkoord uiterlijk op de vijfde werkdag, nadat het hem is voorgelegd.
5. Indien de aannemer zich met de inhoud van het weekrapport niet kan verenigen, ondertekent
hij dit eveneens uiterlijk op de vijfde werkdag, nadat het hem is voorgelegd, doch onder
toevoeging van een aantekening, waaruit blijkt tegen welke gedeelten en om welke redenen hij
bezwaar heeft.
6. Ingeval de directie niet alleen weekrapporten opmaakt maar ook een dagboek bijhoudt, is op
dit dagboek het bepaalde in het eerste tot en met het vijfde lid van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat geen afschrift van het dagboek aan de aannemer wordt
verstrekt, tenzij deze daarom verzoekt.
7. Indien dit in de overeenkomst is voorgeschreven of na de opdracht door de directie wordt
verlangd, verstrekt de aannemer telkens uiterlijk op de vijfde werkdag na het verstrijken van
een werkweek een op die week betrekking hebbende, door hem gedateerde en ondertekende
lijst, bevattende opgaven omtrent het personeel en voorts zodanige verdere mededelingen als
door de directie worden gewenst.
8. Indien ten behoeve van het werk buiten het werkterrein werkzaamheden worden verricht, kan
de directie vorderen, dat de aannemer daaromtrent uiterlijk op de vijfde werkdag na het
verstrijken van een werkweek een door hem ondertekend rapport in tweevoud bij haar indient.
In dit rapport worden aantekeningen als in het eerste lid bedoeld en betrekking hebbend op de
in voornoemde werkweek verrichte werkzaamheden opgenomen.
§.28 Afbakening, peilingen en opmetingen
1. De aannemer zal voor zijn rekening:
a. het werk uitzetten en de vereiste profielen en bakens stellen;
b. ten behoeve van afbakening, peilingen en opmetingen geschikt personeel en
hulpmiddelen, als: roei- en peilboten, meetinstrumenten, bakens, enz., ter beschikking
van de directie stellen;
c. de gedane uitzetting en afbakening in goede staat onderhouden, zolang de directie dit
nodig oordeelt.
§.29 Verschillen in afmetingen of in de toestand van bestaande werken en terreinen
1. Indien de in de beschrijving van het werk vermelde afmetingen niet overeenkomen met die,
voorkomende op de tekeningen, is de aannemer verplicht de door hem geconstateerde
afwijking ter kennis te brengen van de directie, opdat deze, zo zij zulks nodig acht, kan
besluiten van de in §.2, vierde lid, bedoelde rangorde af te wijken. Een zodanig besluit van de
directie wordt als een bestekswijziging aangemerkt.
2. Indien de in het bestek aangegeven afmetingen niet overeenkomen met die, voorkomende in
de werkelijkheid, is de aannemer verplicht de door hem geconstateerde afwijking ter kennis te
brengen van de directie, teneinde met deze overleg te plegen omtrent hetgeen moet
geschieden om, gelet op de afwijking, het werk juist uit te voeren. De gebleken afwijking geeft,
afgezien van de verrekening van meer en minder werk, welke uit het bestek mocht
voortvloeien, de aannemer aanspraak op bijbetaling, indien die afwijking van zodanige aard is,
dat de gevolgen daarvan redelijkerwijs niet voor zijn rekening dienen te komen.
3. Verschillen tussen de tijdens de uitvoering blijkende toestand van bestaande gebouwen,
werken en terreinen enerzijds en de in het bestek aangeduide toestand anderzijds geven,
afgezien van de verrekening van meer en minder werk, welke uit het bestek mocht
voortvloeien, de aannemer aanspraak op bijbetaling, indien die verschillen van zodanige aard
zijn, dat de gevolgen daarvan redelijkerwijs niet voor zijn rekening dienen te komen.
Overigens draagt de opdrachtgever de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de door of
namens hem verstrekte gegevens.
Het in dit lid bepaalde is ook van toepassing indien in het bestek geen toestand of gegevens
zijn aangeduid, doch de tijdens de uitvoering blijkende toestand afwijkt van die welke de
aannemer redelijkerwijs had mogen verwachten.
§.30 Voorziening in waterkering, waterdoorlaat en verkeer
1. De aannemer mag het werk of onderdelen daarvan, waardoor de belangen van waterkering of
waterdoorlaat zouden kunnen worden geschaad of stremming of stoornis in of hinder aan of
gevaar voor het verkeer te land, te water of door de lucht zou kunnen worden veroorzaakt,
slechts uitvoeren, indien en zolang hij met het oog op die belangen de nodige voorzieningen
heeft getroffen.
2. Onder de in het eerste lid bedoelde voorzieningen worden verstaan: tijdelijke werken,
afsluitingen, waarschuwingsborden, kentekens, verlichting en andere veiligheidsmaatregelen,
die door wettelijke voorschriften worden vereist of uit anderen hoofde nodig mochten zijn.
3. Zolang hinder aan of stoornis in het verkeer te land, te water of door de lucht wordt
toegebracht, moet ten behoeve van dat verkeer de nodige hulp worden beschikbaar gesteld.
4. De in deze paragraaf bedoelde voorzieningen en hulp zijn voor rekening van de aannemer, met
dien verstande, dat dit voor tijdelijke werken van betekenis of maatregelen van ingrijpende aard
slechts geldt, indien deze in de overeenkomst zijn omschreven.
§.31 Verband met andere werken
1. Indien verschillende werken in elkander grijpen, wordt dit in het bestek vermeld.
2. Tenzij in het bestek anders is bepaald, geschiedt de coördinatie van in elkander grijpende
werken door de directie.
3. De aannemer gedoogt - zonder aanspraak op andere vergoedingen dan de in het volgende lid
bedoelde - dat door derden, aan wie de directie zulks toestaat, tegelijkertijd en te zelfder
plaatse wordt gewerkt.
4. Hij gedoogt, dat daarbij gebruik wordt gemaakt van reeds gemaakt werk en gemaakte
hulpwerken. Voor dit gebruik kan de aannemer aanspraak op bijbetaling doen gelden, indien
meer van hem wordt verlangd dan redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.
§.32 Gevonden voorwerpen
1. De aannemer is verplicht de vondst van alle voorwerpen, die bij de uitvoering van het werk
worden gevonden en die van waarde zijn of uit een historisch of wetenschappelijk oogpunt
merkwaardig kunnen zijn, terstond aan de directie te melden en deze voorwerpen zo mogelijk
in handen van de directie te stellen, tenzij het bestek anders bepaalt.
§.33 Vermoeden van onvoldoend werk
1. Indien de directie vermoedt, dat het werk niet aan de bij de overeenkomst gestelde eisen
voldoet, is de aannemer verplicht de maatregelen te nemen of te gedogen, die nodig zijn om
vast te stellen of zulks al dan niet het geval is. Ingeval het werk niet aan deze eisen voldoet,
komen de kosten van bedoelde maatregelen voor rekening van de aannemer. In het
tegengestelde geval worden zij, evenals de kosten van herstel, verrekend als meer werk en
wordt eventuele schade vergoed.
§.34 Wijzigingen in de uitvoering
1. Wijzigingen door de directie in de uitvoering van het werk aangebracht geven de aannemer
aanspraak op bijbetaling, indien van hem meer wordt verlangd dan redelijkerwijs van hem kan
worden gevergd.
§.35 Verrekening van meer en minder werk
1. Verrekening van meer en minder werk vindt plaats:
a. ingeval van bestekswijzigingen (§.36);
b. ingeval van afwijkingen van de bedragen van de stelposten (§.37);
c. ingeval van afwijkingen van geschatte hoeveelheden (§.38, tweede lid);
d. ingeval van afwijkingen van verrekenbare hoeveelheden (§.39);
e. in de gevallen waarin verrekening als meer en minder werk in deze U.A.V. of in de
overeenkomst is voorgeschreven.
Aanspraken van de aannemer en de opdrachtgever op hetgeen overigens ter zake van de
overeenkomst verschuldigd is blijven onverlet.
2. De verrekening van het meer werk geschiedt door bijbetaling, die van het minder werk door
inhouding op de aannemingssom. De opdrachtgever en de aannemer komen overeen op welke
wijze - ineens of in gedeelten - en wanneer de verrekening geschiedt van het meer en het
minder werk of, indien er zowel van meer als van minder werk sprake is, van het saldo
daarvan.
3. Indien omtrent wijze en tijdstip van de verrekening van het meer werk niets is
overeengekomen, geschiedt deze verrekening ineens na de voltooiing van het meer werk.
4. Indien omtrent wijze en tijdstip van de verrekening van het minder werk niets is
overeengekomen, geschiedt deze verrekening, met inachtneming van het bepaalde in §.40,
zevende lid, ineens bij de eindafrekening van het werk.
5. Indien bij de eindafrekening van het werk blijkt, dat het totaal van het reeds verrekende en het
nog te verrekenen minder werk dat van het reeds verrekende en het nog te verrekenen meer
werk overtreft, heeft de aannemer recht op een bedrag gelijk aan 10% van het verschil van
deze totalen. Het in dit lid bepaalde lijdt uitzondering, voor zover het minder werk het gevolg is
van een verzoek van de aannemer om minder te mogen uitvoeren dan in de overeenkomst is
bepaald.
6. Voor de toepassing van het bepaalde in het vijfde lid wordt onder het werk verstaan:
a. bij aanneming in massa, de werken van de percelen gezamenlijk;
b. bij meerjarige onderhoudsbestekken de werken van de onderhoudsjaren gezamenlijk.
§.36 Bestekswijzigingen
1. Onder bestekswijzigingen worden verstaan wijzigingen in het bestek, het werk of de
voorwaarden van uitvoering van het werk.
2. De directie is bevoegd voor of tijdens de uitvoering van het werk bestekswijzigingen aan te
brengen. Indien en voor zover deze bevoegdheid in het bestek aan de opdrachtgever is
voorbehouden, is voor deze bestekswijzigingen een door de opdrachtgever aan de aannemer
te verstrekken schriftelijke opdracht vereist.
3. De aannemer zal aan opdrachten tot bestekswijzigingen gevolg geven, ook indien daardoor de
omvang van het werk wordt vermeerderd of verminderd, mits dientengevolge de totalen van de
bijbetalingen en inhoudingen elk niet meer bedragen dan 15% van de aannemingssom dan wel
het saldo van die bijbetalingen en inhoudingen niet meer bedraagt dan 10% van de
aannemingssom.
4. Bestekswijzigingen worden verrekend tegen bedragen of prijzen die vóór de uitvoering van die
wijzigingen of, indien hun aard dit belet, zo spoedig mogelijk tussen de opdrachtgever en de
aannemer worden overeengekomen. Indien de directie overweegt om een bestekswijziging aan
te brengen en daartoe de aannemer verzoekt een prijsaanbieding te doen, plegen de directie
en de aannemer op verzoek van de aannemer tevoren overleg omtrent de vraag of, en zo ja
onder welke omstandigheden, de aannemer aanspraak zal kunnen maken op een redelijke
vergoeding van de aan het doen van de prijsaanbieding verbonden kosten.
5. Bestekswijzigingen zullen de aannemer schriftelijk worden opgedragen. De aannemer kan
genoegen nemen met een overeenkomstige aantekening in het dagboek of weekrapport, welke
dan als schriftelijke opdracht zal worden aangemerkt. Het gemis van een schriftelijke opdracht
of van een aantekening in het dagboek of weekrapport laat de aanspraken van de aannemer en
van de opdrachtgever op verrekening van meer en minder werk onverlet.
6. Ten aanzien van bestekswijzigingen zal op verzoek van de directie of van de aannemer een
afzonderlijke termijn worden overeengekomen, binnen welke het meer werk zal worden
voltooid, hetgeen dan in de schriftelijke opdracht wordt vermeld.
7. Bij meerjarige onderhoudsbestekken wordt bij de in het derde lid vermelde totalen van
bijbetalingen en van inhoudingen elk onderhoudsjaar op zichzelf beschouwd.
8. De opdrachtgever zal de reeds aangevoerde, de blijkens de vrachtbrief afgezonden en de
uitsluitend ten behoeve van het werk bestelde bouwstoffen, die tengevolge van
bestekswijzigingen niet kunnen worden gebruikt, voor zover deze bouwstoffen aan de gestelde
eisen voldoen, overnemen of deswege een billijke schadevergoeding verlenen.
§.37 Stelposten
1. Onder stelposten worden verstaan in het bestek als zodanig aangeduide geldsbedragen,
welke in de aannemingssom zijn begrepen en ten laste waarvan nader in het bestek
beschreven uitgaven worden gebracht.
2. Indien de som van de uitgaven, die ten laste van een stelpost worden gedaan, hoger of lager
blijkt te zijn dan het bedrag van die stelpost, zal de afwijking worden verrekend.
3. Bij de ten laste van stelposten te brengen uitgaven, die betrekking hebben op de aanschaffing
van bouwstoffen, wordt gerekend met prijzen, welke zijn samengesteld uit:
a. de netto-prijzen op basis van franco levering op of in het vervoermiddel bij het
werkterrein;
b. een aannemersvergoeding van 10% van de onder a bedoelde netto-prijzen.
4. In afwijking in zoverre van het derde lid wordt geen afzonderlijke aannemersvergoeding ten
laste van stelposten gebracht bij:
a. sanitaire artikelen, in de prijs waarvan 10% provisie voor de aannemer en 10% provisie
voor de loodgieter is begrepen;
b. behang, in de prijs waarvan de gebruikelijke provisie is begrepen.
5. Kosten van emballage en de terugzending daarvan komen voor rekening van de aannemer,
behalve voor zover die kosten, door de invulling die aan de stelpost wordt gegeven, hoger zijn
dan die waarmee de aannemer redelijkerwijs rekening heeft moeten houden.
6. De kosten van het in het werk brengen van ten laste van stelposten aangeschafte bouwstoffen
zijn in de aannemingssom begrepen en worden niet afzonderlijk verrekend. Deze kosten zullen
echter worden verrekend ten laste van de stelpost, waarop ook de aanschaffing van die
bouwstoffen wordt verrekend, indien zij betrekking hebben op het in het werk brengen van
installaties, zoals liften, centrale verwarming en dergelijke, of voor zover zij door de invulling
die aan de stelpost wordt gegeven hoger zijn dan die waarmee de aannemer redelijkerwijs
rekening heeft moeten houden.
7. De aanschaffing van bouwstoffen, waarvoor stelposten zijn opgenomen, geschiedt door de
aannemer volgens nadere opdracht van de directie en, tenzij de directie de aannemer daarin
vrijlaat, bij leveranciers die daartoe door haar worden aangewezen.
8. Bij de ten laste van stelposten te brengen uitgaven, die betrekking hebben op de verrichting
van werkzaamheden, wordt gerekend met prijzen, welke zijn samengesteld uit:
a. de voor de uitvoering nodige netto-kosten, voor zover deze rechtstreeks op de uitvoering
betrekking hebben;
b. een aannemersvergoeding van 10% van de onder a bedoelde netto-kosten.
De kosten op de bouwplaats voor algemene inrichting, verzorging en uitvoering worden niet
afzonderlijk verrekend, maar worden geacht in de aannemingssom te zijn begrepen, behalve
voor zover die kosten, door de invulling die aan de stelpost wordt gegeven, hoger zijn dan die
waarmee de aannemer redelijkerwijs rekening heeft moeten houden.
9. De verrichting van werkzaamheden als bedoeld in het achtste lid geschiedt volgens nadere
opdracht van de directie door de aannemer of door derden, die daartoe door haar worden
aangewezen.
10. Bij de ten laste van stelposten te brengen uitgaven, die betrekking hebben op het doen van
betalingen aan derden, wordt gerekend met bedragen, welke zijn samengesteld uit:
a. het bedrag van de aan derden gedane betaling, de omzetbelasting daarin niet
begrepen;
b. een aannemersvergoeding van 5% van het onder a bedoelde bedrag.
11. Betalingen aan derden, waarvoor stelposten zijn opgenomen, geschieden door de aannemer
volgens nadere opdracht van de directie.
12. Betalingen aan derden, waarvoor stelposten zijn opgenomen, geschieden door de aannemer
volgens nadere opdracht van de directie.
§.38 Hoeveelheden
1. Onder verrekenbare hoeveelheden worden verstaan de in het bestek als zodanig aangeduide
hoeveelheden; afwijkingen worden verrekend overeenkomstig het bepaalde in §.39.
2. Onder geschatte hoeveelheden worden verstaan de met de toevoeging 'naar schatting',
'ongeveer' of dergelijke aanduidingen in het bestek genoemde hoeveelheden. Een afwijking van
een geschatte hoeveelheid wordt verrekend indien en voor zover er sprake is van een afwijking
die meer bedraagt dan 10% van die geschatte hoeveelheid, tenzij zulks aanleiding tot
onbillijkheid zou geven.
3. Afwijkingen van andere dan de in het eerste of tweede lid bedoelde hoeveelheden, welke door
de directie worden verlangd of voorgeschreven, worden beschouwd als bestekswijzigingen en
verrekend overeenkomstig het bepaalde in §.36.
4. Indien in het bestek hoeveelheden bouwstoffen zijn vermeld, worden daaronder verstaan, voor
zover niet anders is bepaald, hoeveelheden in het werk gemeten.
5. De meting van geleverde of verwerkte bouwstoffen geschiedt door de aannemer ten overstaan
van de directie en op door haar goed te keuren wijze.
§.39 Afwijkingen van verrekenbare hoeveelheden
1. Indien in het bestek verrekenbare hoeveelheden zijn opgenomen en deze blijken te hoog of te
laag te zijn om het werk overeenkomstig de bepalingen van het bestek of de aard van het werk
tot stand te brengen, zullen de afwijkingen van deze hoeveelheden worden verrekend tegen
verrekenprijzen, die daartoe bij de totstandkoming van de overeenkomst zijn overeengekomen.
2. Indien een verrekenprijs voor afwijkingen van een in het bestek opgenomen verrekenbare
hoeveelheid te laag of te hoog blijkt te zijn, zal een gewijzigde verrekenprijs tussen de
opdrachtgever en de aannemer worden overeengekomen. De herziening zal slechts kunnen
plaats vinden, indien meer dan 110% of minder dan 90% van de in het bestek opgenomen
verrekenbare hoeveelheid is of zal worden verwerkt.
3. Indien overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid een verrekenprijs wordt gewijzigd, wordt
de afwijking van de in het bestek opgenomen verrekenbare hoeveelheid verrekend tegen die
gewijzigde verrekenprijs; zodanige wijziging leidt echter niet tot wijziging van de
aannemingssom.
4. Indien voor een bepaalde bouwstof of voor een bepaald soort werk meer dan één verrekenbare
hoeveelheid in het bestek is opgenomen en voor die hoeveelheden een zelfde verrekenprijs
geldt, wordt voor de toepassing van het bepaalde in het tweede en derde lid het totaal van
deze hoeveelheden als de in het bestek opgenomen verrekenbare hoeveelheid beschouwd.
5. In de in deze paragraaf bedoelde verrekenprijzen worden geacht begrepen te zijn alle
rechtstreeks of zijdelings voor de uitvoering nodige kosten en een aannemersvergoeding. In de
aannemersvergoeding worden de algemene kosten van de aannemer en een normale
aannemerswinst geacht begrepen te zijn.
§.40 Betaling
1. Het ingevolge de overeenkomst aan de aannemer toekomende bedrag is het saldo, gevormd
door de aannemingssom, verhoogd onderscheidenlijk verlaagd met hetgeen overigens aan of
door hem ter zake van de overeenkomst verschuldigd is.
2. Indien de aannemer volgens de overeenkomst recht heeft op betaling in termijnen, heeft met
het oog op het verschijnen van een betalingstermijn opneming van het uitgevoerde gedeelte
van het werk plaats.
3. Bij de opneming, bedoeld in het tweede lid, wordt rekening gehouden met de waarde van
goedgekeurde, doch nog niet verwerkte bouwstoffen, voor zover deze krachtens §.19
eigendom van de opdrachtgever zijn geworden.
4. Geschiedt de opneming, bedoeld in het tweede lid, niet binnen acht dagen nadat de aannemer
daarom heeft verzocht, dan kan de aannemer schriftelijk een nieuwe aanvrage tot de directie
richten, met verzoek binnen vier dagen tot opneming over te gaan. Voldoet de directie niet aan
dit verzoek, dan wordt de opneming geacht te zijn geschied en wordt het door de aannemer in
zijn verzoek opgegeven termijnbedrag uitbetaald overeenkomstig het in het zesde lid bepaalde.
5. Indien de directie na een opneming, bedoeld in het tweede lid, nalaat binnen vier dagen nadat
de aannemer daarom schriftelijk heeft verzocht, het resultaat van de opneming bekend te
maken, wordt het door de aannemer in zijn verzoek opgegeven termijnbedrag uitbetaald
overeenkomstig het in het zesde lid bepaalde.
6. De uitbetaling van een termijn zal plaats vinden binnen vier weken, nadat bij de opneming,
bedoeld in het tweede lid, is gebleken, dat de aannemer recht heeft op betaling van die
termijn. Indien in het bestek is bepaald, dat de betaling van een termijn eerst zal geschieden
nadat de aannemer een declaratie heeft ingediend, zal de betaling plaats vinden binnen vier
weken nadat de declaratie in goede orde bij de directie is ingekomen. De declaratie wordt
geacht in goede orde bij de directie te zijn ingekomen indien de directie niet binnen zeven
dagen na ontvangst van de declaratie aan de aannemer heeft medegedeeld dat daaraan
documenten ontbreken welke nodig zijn ter beoordeling van de juistheid van de declaratie.
Indien de directie tegen de inhoud van de declaratie bezwaar heeft, stelt zij de aannemer
onder opgave van redenen daarvan zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na
ontvangst van de declaratie, op de hoogte.
7. Indien een termijn verschenen is, waarvan het bedrag beïnvloed kan worden door de
eindafrekening van het gehele werk, wordt die termijn gesteld op het bedrag, dat de aannemer,
gegeven de voortgang van het werk, ontwijfelbaar toekomt en wordt dit bedrag aan hem
uitbetaald.
8. Indien een termijn nog niet verschenen is, kan de opdrachtgever niettemin, zo daartoe
aanleiding bestaat, tot gedeeltelijke betaling daarvan overgaan.
9. Indien niet is overeengekomen, dat betaling in termijnen zal geschieden, ontvangt de
aannemer, vooruitlopend op de eindafrekening, binnen vier weken nadat het werk is opgeleverd
het bedrag, dat hem ontwijfelbaar toekomt.
10. Op de betaling van bedragen buiten de aannemingssom of van bedragen buiten de termijnen
van de aannemingssom is het bepaalde in het zesde lid van overeenkomstige toepassing.
11. Zo spoedig mogelijk na de oplevering van het werk, of indien in het bestek een onderhouds- of
servicetermijn is voorgeschreven, zo spoedig mogelijk na het verstrijken daarvan, wordt de
eindafrekening van het werk opgesteld Hetgeen reeds is betaald wordt dan in mindering
gebracht op hetgeen de aannemer volgens het eerste lid toekomt en het restant wordt hem
binnen vier weken betaald Indien de aannemer bij de eindafrekening een bedrag aan de
opdrachtgever verschuldigd blijkt, is hij binnen vier weken tot betaling daarvan gehouden.
12. Indien door in gebreke blijven of onvermogen van de aannemer de opdrachtgever het werk
geheel of gedeeltelijk uitvoert, of door anderen doet uitvoeren, wordt de betaling opgeschort,
totdat zal zijn gebleken, welk bedrag dientengevolge door of aan de aannemer verschuldigd is.
Het eerste en tweede lid van §.45 zijn niet van toepassing over het tijdvak van de opschorting.
13. In de in het voorgaande lid bedoelde gevallen heeft de opdrachtgever tevens het recht om voor
rekening van de aannemer rechtstreeks aan onderaannemers en leveranciers een billijke
vergoeding uit te keren voor de werkzaamheden en leveringen, waarvoor deze nog geen
betaling genoten. De opdrachtgever gaat hiertoe niet over dan na de aannemer of diens
wettelijke vertegenwoordiger ter zake te hebben gehoord.
§.41 Omzetbelasting
1. De ter zake van het werk verschuldigde omzetbelasting is niet begrepen in de tussen
opdrachtgever en aannemer overeengekomen of overeen te komen bedragen en prijzen, doch
het bedrag daarvan wordt door de aannemer in zijn prijsopgaven afzonderlijk vermeld.
2. De opdrachtgever vergoedt de aannemer de ter zake van het werk verschuldigde
omzetbelasting.
3. De aannemer ontvangt echter geen vergoeding van de ter zake van het werk verschuldigde
omzetbelasting voor zover deze van de opdrachtgever wordt geheven.
4. De berekening van hetgeen de aannemer ingevolge de overeenkomst toekomt geschiedt met
inachtneming van bedragen en prijzen, waarin de omzetbelasting niet is begrepen; de
berekening van de door de opdrachtgever aan de aannemer te vergoeden omzetbelasting
geschiedt afzonderlijk.
5. De vergoeding van omzetbelasting aan de aannemer geschiedt gelijktijdig met de ter zake van
het werk aan hem te verrichten betalingen.
§.42 Kortingen
1. De opdrachtgever kan wegens te late oplevering van het werk aan de aannemer kortingen op
de aannemingssom opleggen. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als dag van
oplevering aangemerkt de dag, welke door de aannemer overeenkomstig het eerste of, ingeval
van heropneming na onthouding van goedkeuring, het achtste lid van §.9 is opgegeven, mits
het werk vervolgens is of geacht wordt te zijn goedgekeurd.
2. Het bedrag der kortingen wordt in het bestek bepaald. Bij gebreken van zodanige bepaling
bedraagt het f 75 per dag.
3. Geen korting wordt opgelegd voor na de opleveringstermijn verstreken dagen die geen werkdag
zijn. Evenmin wordt korting opgelegd voor zowel binnen als na bedoelde termijn gevallen
dagen, dat de oplevering door overmacht is vertraagd, voor zover daarmede bij een verleende
termijnsverlenging geen rekening is gehouden. Vertraging in de voortgang van het werk door
bedrijfsstoornissen en - indien de opleveringstermijn niet is bepaald in werkdagen - door
onwerkbare dagen, wordt daarbij slechts als overmacht aangemerkt, voor zover die vertraging
van ongewone duur is geweest.
4. Geen korting wordt opgelegd wegen overschrijding van een termijn, indien en voor zover deze
overschrijding het gevolg is van overschrijding van een eerder geëindigde termijn, waarvoor
reeds een korting is opgelegd, mits de bedoelde termijnen met elkaar in verband staan.
5. Kortingen worden verbeurd enkel ten gevolge van het verschijnen van de bepaalde dag, zonder
dat deswege een ingebrekestelling nodig is om daarvan te doen blijken.
6. Kortingen en andere bedragen, die ingevolge de overeenkomst door de aannemer verschuldigd
zijn, worden bij de eerstvolgende betalingstermijn en zo nodig bij volgende termijnen van
betaling ingehouden of op andere wijze op de aannemer verhaald.
§.43 Verpanding of cessie door de aannemer aan derden
1. De aannemer zal het recht op het saldo, bedoeld in §.40, eerste lid, geheel of gedeeltelijk
kunnen cederen of in pand geven.
2. Indien een cessie aan de opdrachtgever is betekend, is de aannemer verplicht de akte van
cessie aan de opdrachtgever over te leggen, indien deze zulks wenst.
§.43a Zekerheidsstelling
1. Het bepaalde in deze paragraaf is van toepassing, tenzij het bestek anders bepaalt.
2. Met inachtneming van hetgeen in het zevende lid is bepaald, is de opdrachtgever gerechtigd
om van de aannemer te bedingen dat deze zekerheid stelt voor de nakoming van zijn
verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst; indien door de aannemer zekerheid dient
te worden gesteld, geldt het bepaalde in het derde tot en met het zesde lid van deze
paragraaf.
3. De waarde van de zekerheid is gelijk aan 5% van de aannemingssom en de zekerheid dient te
worden gesteld in de vorm van een bankgarantie.
4. Indien de opdrachtgever voornemens is de bankgarantie in te roepen geeft hij de aannemer
daarvan bij aangetekende briefkennis. De opdrachtgever is gerechtigd de bankgarantie in te
roepen, tenzij de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland, in een door de
aannemer binnen tien werkdagen na de verzending van de in dit lid bedoelde kennisgeving
aanhangig te maken spoedgeschil, in eerste aanleg anders beslist.
5. De zekerheid blijft van kracht tot het tijdstip waarop het werk als opgeleverd wordt beschouwd,
met dien verstande dat, indien sprake is van kleine gebreken als bedoeld in §.9, zevende lid,
de zekerheid van kracht blijft tot het tijdstip waarop de aannemer deze gebreken heeft
hersteld. Indien in het bestek een onderhoudstermijn is voorgeschreven, blijft de zekerheid van
kracht tot overeenkomstig §.11, zesde lid, is geconstateerd dat de aannemer aan zijn
verplichtingen heeft voldaan.
6. Na de dag waarop het werk als opgeleverd wordt beschouwd, of indien een onderhoudstermijn
is voorgeschreven, na afloop van de onderhoudstermijn, is de aannemer gerechtigd
vervangende zekerheid te stellen tot een bedrag dat in redelijkheid is gemoeid met herstel van
de voor zijn rekening komende gebreken. De opdrachtgever is gehouden de oorspronkelijke
zekerheidstelling terug te geven nadat hij met de vervangende zekerheid heeft ingestemd en
deze heeft ontvangen.
7. De opdrachtgever is niet gerechtigd om van de aannemer te bedingen dat deze zekerheid stelt
voor de nakoming van zijn verplichtingen indien is overeengekomen dat de aannemingssom
geheel of ten dele wordt ingehouden. Van een zodanige inhouding is sprake indien, de termijn
van §.40, zesde lid, eerste zin, buiten beschouwing gelaten, aan de aannemer minder wordt
betaald dan overeenkomt met de som der waarden van het werk dat reeds is uitgevoerd en van
de goedgekeurde nog onverwerkte bouwstoffen, die eigendom van de opdrachtgever zijn
geworden.
8. Indien de opdrachtgever hetgeen de aannemer volgens de overeenkomst toekomt, niet of niet
tijdig betaalt, of de aannemer gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de opdrachtgever
het de aannemer toekomende niet of niet tijdig zal betalen, is de aannemer gerechtigd om van
de opdrachtgever genoegzame zekerheid te verlangen. Indien de opdrachtgever in gebreke
blijft met het stellen van de door de aannemer verlangde genoegzame zekerheid, is de
aannemer bevoegd, hetzij de uitvoering van het werk te schorsen, hetzij het werk in
onvoltooide staat te beëindigen. Met betrekking tot de schorsing respectievelijk de beëindiging
in onvoltooide staat is het bepaalde in §.14 van overeenkomstige toepassing. Op de in dit lid
bedoelde zekerheid is hetgeen in het vierde lid is gesteld van overeenkomstige toepassing.
§.43b Verzekering
1. Tenzij het bestek anders bepaalt, dient de aannemer verzekeringen aan te gaan waarin de
opdrachtgever en de directie als mede-verzekerden zijn opgenomen, een en ander voor zover
dit naar de aard en de omvang van het werk nodig en gebruikelijk is.
De aannemer zorgt ervoor dat de directie ten spoedigste schriftelijk bewijs van het bestaan en
de inhoud van vorenbedoelde verzekeringen ontvangt.
2. Indien door de opdrachtgever verzekeringen in verband met het werk zijn aangegaan of zullen
worden aangegaan, worden de condities en bepalingen daarvan aan het bestek gehecht en
zorgt de opdrachtgever ervoor dat de aannemer ten spoedigste schriftelijk bewijs van het
bestaan en de inhoud van vorenbedoelde verzekeringen ontvangt.
§.44 Schade aan het werk
1. Onder schade aan het werk in de zin van deze paragraaf wordt verstaan schade aan het
geheel of gedeeltelijk door de aannemer ten behoeve van de opdrachtgever gebouwde of
gemaakte, aan de hulpwerken, aan de op of bij het werk aangevoerde bouwstoffen en voor het
werk noodzakelijke hulpmiddelen. Onder schade aan bouwstoffen wordt tevens verstaan het
verlies daarvan.
2. Van het ontstaan van schade aan het werk geeft de aannemer zo spoedig mogelijk, in elk
geval binnen een week nadat hem daarvan is gebleken of had kunnen blijken, kennis aan de
directie.
3. Onverminderd de aansprakelijkheid van partijen krachtens de overeenkomst of de wet is
schade aan het werk voor rekening van de aannemer, tenzij deze schade het gevolg is van
buitengewone omstandigheden tegen de schadelijke gevolgen waarvan de aannemer in
verband met de aard van het werk geen passende maatregelen heeft behoeven te nemen, en
het onredelijk zou zijn de schade voor zijn rekening te doen komen.
4. Na het ontstaan van schade aan het werk is de aannemer verplicht tijdig de nodige
maatregelen tot beperking daarvan te treffen. Bij aanwezigheid van de directie handelt hij
daarbij onder haar goedkeuring.
5. Schade aan het werk, die is ontstaan tengevolge van het niet nakomen van de in het tweede of
vierde lid genoemde verplichting, is voor rekening van de aannemer.
6. Schade aan het werk, welke voor rekening van de aannemer is, zal door deze worden hersteld
binnen door de directie eventueel te stellen termijnen, tenzij van de aannemer redelijkerwijs
niet kan worden verlangd, dat het herstel door hem geschiedt. In dit geval, alsmede indien
redelijkerwijs van de opdrachtgever niet kan worden verlangd, dat hij het herstel door de
aannemer laat verrichten, kan de opdrachtgever in plaats daarvan een geldelijke vergoeding
van de aannemer vorderen.
7. Niet voor rekening van de aannemer komende schade aan het werk zal, indien de
opdrachtgever daartoe de wens te kennen geeft en dit redelijkerwijs van de aannemer kan
worden verlangd, eveneens door deze worden hersteld binnen door de directie eventueel te
stellen termijnen. In dit geval wordt het herstel als meer werk verrekend.
§.45 In gebreke blijven, onvermogen of overlijden van de opdrachtgever
1. Indien de opdrachtgever de ingevolge de overeenkomst verschuldigde betalingen niet tijdig
verricht en de vertraging niet het gevolg is van een omstandigheid waarvoor de aannemer
verantwoordelijk is, heeft deze aanspraak op vergoeding van rente tegen het wettelijk
percentage met ingang van de dag, waarop de betaling uiterlijk had moeten geschieden. De
rentevordering van de aannemer zal nimmer omvatten rente van rente.
2. Indien na verloop van twee weken sedert de dag waarop de betaling uiterlijk had moeten
geschieden, deze nog niet heeft plaats gevonden en een nadien door de aannemer verzonden
schriftelijke aanmaning na verloop van veertien dagen evenmin tot betaling heeft geleid, wordt
het in het voorgaande lid bepaalde percentage na het verstrijken van die veertien dagen met 2
verhoogd, en is de aannemer bevoegd, mits hij zulks in de aanmaning heeft vermeld, hetzij de
uitvoering van het werk te schorsen tot de opdrachtgever het door hem verschuldigde heeft
betaald, hetzij het werk in onvoltooide staat te beëindigen. Met betrekking tot de schorsing
respectievelijk de beëindiging in onvoltooide staat is het bepaalde in §.14 van overeenkomstige
toepassing.
3. Het bepaalde in het tweede lid omtrent schorsen en beëindigen in onvoltooide staat is niet van
toepassing, indien de vordering van de aannemer bet rekking heeft op een bedrag,
waaromtrent de opdrachtgever een spoedgeschil aanhangig heeft gemaakt.
4. Indien de opdrachtgever in staat van faillissement wordt verklaard, is de aannemer bevoegd de
curator te sommeren om binnen acht dagen te verklaren of hij bereid is het werk te doen
voortzetten onder zodanige genoegzame zekerheid stelling als de aannemer blijkens de
sommatie verlangt. Indien de curator zich bereid verklaart het werk te doen voortzetten, is hij
verplicht bij die verklaring de verlangde zekerheid te stellen.
Indien de curator niet bereid is het werk te doen voortzetten, is de aannemer gerechtigd het
werk in onvoltooide staat te beëindigen. Met betrekking tot de beëindiging in onvoltooide staat
is het bepaalde in §.14 van overeenkomstige toepassing.
5. Ingeval de opdrachtgever onder curatele wordt gesteld, is het bepaalde in het vierde lid van
overeenkomstige toepassing. Ingeval de opdrachtgever surséance van betaling wordt verleend
of hij met rechterlijke machtiging in een krankzinnigengesticht wordt geplaatst, is het
bepaalde in het vierde lid eveneens van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
voor 'de curator' wordt gelezen 'de opdrachtgever en de bewindvoerder' onderscheidenlijk 'de
provisionele bewindvoerder of de curator'.
6. Ingeval de opdrachtgever overlijdt, is de overeenkomst niet uit dien hoofde ontbonden. Het
bepaalde in het vierde lid is alsdan van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
voor 'de curator' wordt gelezen 'de erfgenamen'. Indien de aannemer zulks verlangt, zijn de
erfgenamen verplicht één van hen of een derde schriftelijk aan te wijzen om hen in alle
opzichten te vertegenwoordigen.
§.46 In gebreke blijven, onvermogen of overlijden van de aannemer
1. Ingeval de aannemer de op hem rustende verplichtingen niet nakomt en de opdrachtgever hem
deswege in gebreke stelt, zal de ingebrekestelling schriftelijk geschieden en zal de
opdrachtgever de aannemer daarbij een redelijke termijn stellen om alsnog zijn verplichtingen
na te komen. Reeds voordat de gestelde termijn is verstreken, is de opdrachtgever in
dringende gevallen gerechtigd voor rekening van de aannemer zodanige maatregelen te nemen
als hij ten nutte van het werk dienstig oordeelt. Indien de aannemer nalatig blijft zijn
verplichtingen na te komen, is de opdrachtgever gerechtigd het werk voor rekening van de
aannemer te voltooien of te doen voltooien, onverminderd des opdrachtgevers recht op
schadevergoeding.
2. Ingeval de aannemer voor de uitvoering van het werk te weinig personeel of hulpmiddelen, dan
wel hulpmiddelen van onvoldoend vermogen of gebrekkige hulpmiddelen bezigt, waardoor naar
het oordeel van de directie ontoelaatbare vertraging in de uitvoering ontstaat, zal de directie de
aannemer schriftelijk aanmanen de uitvoering te bespoedigen.
Indien de aannemer nalatig blijft, is de directie gerechtigd voor rekening van de aannemer
zodanige maatregelen te nemen als zij voor de vlotte totstandkoming van het werk dienstig
oordeelt.
3. Ingeval de aannemer in staat van faillissement wordt verklaard, is de opdrachtgever bevoegd de
curator te sommeren om binnen acht dagen te verklaren of hij bereid is het werk voort te
zetten onder zodanige genoegzame zekerheidstelling als de opdrachtgever blijkens de
sommatie verlangt.
In afwachting van de beslissing omtrent de voortzetting van het werk is de opdrachtgever in
dringende gevallen gerechtigd voor rekening van de aannemer zodanige maatregelen te nemen
als hij ten nutte van het werk dienstig oordeelt. Indien de curator zich bereid verklaart het werk
voort te zetten, is hij verplicht bij die verklaring de verlangde zekerheid te stellen.
Indien de curator niet bereid is het werk voort te zetten, is de opdrachtgever gerechtigd het
werk voor rekening van de aannemer te voltooien of te doen voltooien, onverminderd des
opdrachtgevers recht op schadevergoeding.
4. Ingeval de aannemer onder curatele wordt gesteld, is het bepaalde in het derde lid van
overeenkomstige toepassing. Ingeval de aannemer surséance van betaling wordt verleend of hij
met rechterlijke machtiging in een krankzinnigengesticht wordt geplaatst, is het bepaalde in
het derde lid eveneens van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor 'de
curator' wordt gelezen 'de aannemer en de bewindvoerder' onderscheidenlijk 'de provisionele
bewindvoerder of de curator'.
5. Ingeval de aannemer overlijdt, is de overeenkomst niet uit dien hoofde ontbonden. Het
bepaalde in het derde lid is alsdan van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
voor 'de curator' wordt gelezen 'de erfgenamen'. Indien de opdrachtgever zulks verlangt, zijn de
erfgenamen verplicht één van hen of een derde schriftelijk aan te wijzen om hen in alle
opzichten te vertegenwoordigen.
6. De opdrachtgever zorgt er voor, dat de kosten, die voor de aannemer voortvloeien uit de
toepassing van de bepalingen in deze paragraaf, binnen redelijke grenzen blijven.
7. Ingeval de opdrachtgever overeenkomstig de bepalingen in deze paragraaf maatregelen ten
dienste van het werk neemt dan wel het werk zelf voltooit of door derden doet voltooien, is hij
gerechtigd daarbij van alle ter beschikking van de aannemer staande hulpmiddelen gebruik te
maken of te doen maken.
8. De opdrachtgever is verplicht de in het voorgaande lid bedoelde hulpmiddelen in goede staat te
onderhouden of te doen onderhouden en deze zo spoedig mogelijk, nadat zij voor de uitvoering
van het werk niet meer nodig zijn, weer ter beschikking van de aannemer te stellen. Schade,
gedurende de periode van het gebruik aan deze hulpmiddelen toegebracht, is voor rekening
van de opdrachtgever, tenzij hij bewijst, dat de schade niet is te wijten aan schuld van hem of
van degenen die door hem in het werk zijn gesteld.
§.47 Kostenverhogende omstandigheden
1. Onder kostenverhogende omstandigheden worden in deze paragraaf verstaan omstandigheden
die van dien aard zijn dat bij het tot stand komen van de overeenkomst geen rekening
behoefde te worden gehouden met de kans dat zij zich zouden voordoen, die de aannemer
niet kunnen worden toegerekend en die de kosten van het werk aanzienlijk verhogen.
2. Indien kostenverhogende omstandigheden als bedoeld in het eerste lid intreden heeft de
aannemer aanspraak op bijbetaling, in voege als omschreven in het volgende lid en behoudens
het bepaalde in het vierde lid.
3. Indien de aannemer van oordeel is dat kostenverhogende omstandigheden zijn ingetreden
dient hij de opdrachtgever hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte te stellen.
Alsdan zal de opdrachtgever op korte termijn met de aannemer overleg plegen omtrent de
vraag of kostenverhogende omstandigheden zijn ingetreden en zo ja, in hoeverre de
kostenverhoging naar redelijkheid en billijkheid zal worden vergoed.
4. De opdrachtgever is gerechtigd om in plaats van toe te stemmen in een vergoeding als
bedoeld in het derde lid het werk te beperken, te vereenvoudigen of te beëindigen; alsdan zal
het door de opdrachtgever verschuldigde naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid worden
vastgesteld.
5. Indien in de U.A.V. of elders in de overeenkomst bijzondere voorschriften zijn opgenomen
omtrent kostenverhogende of buitengewone omstandigheden, is voor wat de in die
voorschriften geregelde gevallen betreft het bepaalde in deze paragraaf niet van toepassing.
§.48 Vastleggen van de toestand
1. Indien de directie of de aannemer tijdens de loop van het werk de toestand, waarin enig
onderdeel van het werk op zeker tijdstip verkeert, of enig ander feit of feitenverloop betreffende
de uitvoering of voorbereiding van het Werk wenst vast te leggen, kan zij of hij schriftelijk
vorderen, dat die toestand gemeenschappelijk wordt opgenomen of dat feit of feitenverloop
gemeenschappelijk wordt geconstateerd en in een op te maken en door hen beiden te
ondertekenen proces-verbaal wordt beschreven.
2. Indien de directie of de aannemer aan de in het eerste lid bedoelde vordering niet voldoet, kan
de wederpartij de toestand in een proces-verbaal doen vastleggen overeenkomstig de statuten
van de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland, onverlet de bevoegdheid van de
wederpartij zelf de verlangde opnemingen en constateringen in aanwezigheid van getuigen te
verrichten en vast te leggen in een met de getuigen te ondertekenen proces-verbaal. De
waardering van het aan dit proces-verbaal toe te kennen bewijs is aan het scheidsgerecht van
genoemde Raad overgelaten.
3. Het proces-verbaal, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt in tweevoud opgemaakt; één
exemplaar is bestemd voor de directie en één voor de aannemer.
§.49 Beslechting van geschillen
1. Voor de beslechting van de in deze paragraaf bedoelde geschillen doen partijen uitdrukkelijk
afstand van hun recht de tussenkomst van de gewone rechter in te roepen.
2. Alle geschillen, welke ook - daaronder begrepen die, welke slechts door één der partijen als
zodanig worden beschouwd - die naar aanleiding van de overeenkomst of van overeenkomsten,
die daarvan een uitvloeisel mochten zijn, tussen opdrachtgever en aannemer mochten
ontstaan, worden beslecht door arbitrage overeenkomstig de regelen beschreven in de
statuten van de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland, zoals deze drie
maanden voor de dag van aanbesteding luiden.
3. De aannemer, die een geschil betreffende de eindafrekening aan de in het tweede lid
genoemde Raad ter beslechting voorlegt, nadat de opdrachtgever zijn definitieve beslissing
omtrent de eindafrekening schriftelijk ter kennis van de aannemer heeft gebracht, is niet
ontvankelijk in hetgeen hij meer of anders vordert dan die eindafrekening inhoudt, indien hij het
geschil aanhangig maakt later dan zes maanden nadat de opdrachtgever bij aangetekende
brief de aandacht van de aannemer op deze termijn heeft gevestigd, tenzij de vordering
voortvloeit uit een omstandigheid, welke eerst na het verloop van die termijn is gebleken.
4. Indien bij een in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk vonnis een uitspraak van het
scheidsgerecht geheel of gedeeltelijk nietig wordt verklaard, heeft ieder der partijen het recht
het geschil, voor zover het dientengevolge onbeslist is gebleven, opnieuw overeenkomstig
deze paragraaf te doen beslechten. De vordering is niet ontvankelijk, indien zij bij de in het
tweede lid genoemde Raad wordt aanhangig gemaakt later dan drie maanden na het in kracht
van gewijsde gaan van de rechterlijke uitspraak. Degene die als scheidsman of secretaris aan
de nietig verklaarde beslissing heeft medegewerkt, zal aan de nieuwe behandeling niet mogen
medewerken.
5. Indien beide partijen in onderling overleg hieraan de voorkeur geven, worden de in het tweede
lid bedoelde regelen vervangen door die, gegeven in de statuten van de Raad van Arbitrage
voor Metaalnijverheid en -handel, met dien verstande dat in aanvulling dezer regelen de
bepaling geldt, dat scheidslieden niet bevoegd zijn het tussen partijen overeengekomene te
wijzigen.
§.50 Voortzetting van het werk
1. De aannemer is gehouden, in afwachting van de totstandkoming van een uitspraak in het
geschil, op vordering van de directie het werk volgens haar aanwijzingen voort te zetten, tenzij
de Raad van Arbitrage in spoedgeschil anders beslist en onverminderd zijn rechten, die uit
bedoelde uitspraak voor hem mochten voortvloeien.
2. Voor zover de uitkering van enige termijn van betaling vertraging zou ondervinden in verband
met een aanhangig geschil, zal de opdrachtgever tot zodanige betaling overgaan als in
verband met de stand van het werk en de wederzijdse vorderingen toelaatbaar is. Zodanige
betaling zal niet in het geding kunnen worden gebruikt als bewijs van de erkenning door de
opdrachtgever van enig recht van de aannemer.